10 juni 2007

HET MEISJE MET DE ORANJE KNIEËN

Ik zat vandaag in de metro tegenover zo'n meisje waar je naar moet blijven kijken. Ze was ergens in de twintig, schat ik. Ze droeg wit. Een rokje, en een hemdje, allebei iets te fijn om in te tennissen.
Haar middel (heette dat vroeger niet 'haar lijfje'?) was zo smal dat een jongetje van vier er makkelijk twee keer zijn armpjes omheen had kunnen slingeren.

Ze had sokjes aan. Lage sokjes. Wit, natuurlijk, met een subtiel roze horizonnetje in de nauw sluitende bovenrand. Die sokjes staken dan weer in iets dat waarschijnlijk espadrilles heet. Zwarte.

En dan haar gezicht. Dat straalde zo dat er maar weinig mannen naar durfden te kijken. Ik ook niet, maar gelukkig zat er een metro-stang in de weg. Voor zover ik het kon zien leek ze op een bleke Françoise Hardy. Op een langharige France Gall. Op een bescheiden Bardot.

Maar dan haar benen. Die waren behoorlijk bloot en behoorlijk weerloos. Ze dachten dat ze even wit moesten zijn als de rest van haar kleding, en dat lukte die benen goed. Melk waren ze, prachtig melk.
Haartjes waren er niet te bekennen, weggeragt natuurlijk, maar, en nu komt het ontroerende: er waren wel butsjes. En een paar roofjes. Scheenstootsels. Kindervalwondjes.

En ja, dan het hoogtepunt. Haar knieën. Ik geef toe, ik ben niet zeer ervaren in meisjesknieën, maar dit heb ik toch echt nog nooit gezien: die knieën waren oranje.
Echt waar, over de knieschijf strekten zich twee oranje zonnen uit. Niet roze, niet rood, maar oranje.
Het was geen verf. Het was ook geen permanente rarigheid. Het was tijdelijk. Maar waar kunnen meisjesknieën oranje van zijn? Ik bedoel: innerlijk oranje? Nogmaals: het was er niet van de buitenkant op gekomen, dat oranje. Deze knieën BLOOSDEN oranje.

Hoe kan dat?
Vrouwenexperts, damesexperts, meisjes-, knieën- en meisjesknieënexperts: wat kan de verklaring zijn?

Davies / McCarthy (door Kees)

Ik lees ‘The Road’, het jongste boek van de Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy (1933, foto 1), een van mijn favoriete auteurs, en vraag me af of zijn naam op het Nobelprijskandidatenlijstje voorkomt.
Naar verluidt, stond de Canadees Robertson Davies (1913 – 1995, foto 2), ook een van mijn favorieten, er wel op, jaren achtereen, maar kennelijk sloeg Het Comité andermans werk hoger aan, al weten we dat ze in Stockholm ook andere dan literaire meetlatten hanteren.


Ik houd van Davies’ werk. 11 romans, een bundel korte verhalen, vier essaybundels, 15 bundels literaire kritieken en twee brievenboeken. Ik houd van McCarthy’s werk. 10 romans. Beiden schreven ook nog onder andere (mij onbekende) toneelstukken.
Als McCarthy de Nobelprijs wordt toegekend, maak ik een vreugdedansje, maar hij verdient hem, vind ik, íets minder dan Davies hem verdiende. Beiden zijn Grote Schrijvers. Écht Groot. Beiden hebben een uit vele herkenbare stijl, al is die van Davies, misschien, nóg herkenbaarder dan die van McCarthy. Davies schrijft, als je het mij vraagt, extreem Engels, versus McCarthy extreem (Noord-)Amerikaans, maar in dat extreme vind ik Davies nóg uitzonderlijker dan McCarthy.
McCarthy gaat ver. Zeker in ‘The Road’ moet je zijn kaal geschraapte, marmerharde proza volgens mij lezen met de geestesgesteldheid van de poëzielezer, maar hoewel ik ‘T.R.’ voor McCarthy’s meest liefdevolle boek houd, verschilt wat en hoe hij schrijft, behalve qua ‘ruimte’, te weinig van zijn eerdere romans om hier verder te gaan dan een toch niet misselijk: geweldig, indrukwekkend, onvergetelijk. McCarthy heeft zijn stilistisch instrumentarium nóg scherper geslepen, houdt je van pagina eerst tot laatst in een onverbiddelijke houdgreep, verbaast en imponeert, maar (mij) minder dan Davies. Omdat McCarthy steeds hetzelfde vertelt, maar dan anders, terwijl Davies natuurlijk ook hetzelfde vertelde, maar dan met veel meer eruditie en psychologische diversiteit.
Nou ja. Waarschijnlijk zit ik hier abstracte met figuratieve schilderkunst te vergelijken,
sonnetten met vrije verzen en cricket met squash, en zeg ik al doende niets dan iets over mezelf. Terwijl wat ik wílde zeggen, was: lees Davies, lees McCarthy, lees Gróte Literatuur.

09 juni 2007

LEVE DE AMERIKANEN

Vandaag dronk ik zomaar een geconcentreerde neus.
Dat kwam zo:

Per ongeluk had ik een TGV-ticket voor de eerste klas. Fijn, zou je denken. Rustig en zo. Kun je lekker Harry Potter Zes lezen, voordat Nummer Zeven er alweer is. Ja. Maar nee. Want er waren Amerikanen.

De Amerikanen stonden onder aanvoering van een oude, uitgedijde Don Juan. Een soort Bush met zandzakken. Toen de conducteur langskwam riep hij bijvoorbeeld: 'You look important! You look like you own the train!'
Tegen de jongen die kwam vragen of iemand een taxi nodig had in Brussel: 'Hell no. I want a horse!'

Maar het bontst maakte hij het tegen de twee vrolijke meisjes die de lunch kwamen serveren. Ze waren nog niet binnen of hij schreeuwde al: 'Oh my god, two giggling beauties!'
Een van de serveerster lachte. Hij: 'Wow, giggles everywhere!'
Zij: 'Sir, I always laugh. I will die with a smile. But, sir, what do you want?'
Wat wilde hij drinken, bedoelde ze. Maar hij: 'I wanna take you home.'
Zij: 'Now I'm scared.'

Goed van haar. Even later deelden de twee de menukaarten uit. Dat was nog heftiger schrikken. Dit stond er op het menu: Kaninchenfilet mit Kräutern. Echt waar, dat eet je dus in de TGV eerste klas. Konijntje!
En dan de wijn. Rood. Maar die gekken van de TGV schreven er deze aanbeveling bij: Geconcentreerde neus van zwarte bessen, koffie en viooltjes. Soepele aanzet.

Dat vond ik nog waanzinniger dan die hele Amerikaan. Die ondanks zijn gebral (weer, tegen dezelfde serveersters: 'I wish I had two sons to give to you.') toch ook nog een andere kant had.
Want zodra het eten op de klaptafeltjes werd gezet, viel hij opeens uit zijn rol. Hij bulderde door de coupé: 'WHAT IS THIS? I SHALL NOT EAT RABBITS!'

Van schrik morsten we allemaal onze geconcentreerde neus.

Dilemma (door Kees)

Vrienden, ik wil failliet. Het aards paradijs wordt mijn deel. Bibi, zij het uitsluitend ’s zomers, “etmaal na etmaal aan [mijn] zijde”, Marieke als brood- en troostmeisje (een rol die ze, mark my words, niet lang gaat volhouden), geraviolieerd naast Edward in slaap zakken, met Ludo Wichten Om Tegen Te Dichten entertainen en (al zou ik, gezien het voorgaande, niet weten wannéér) schrijven op een door Ted persoonlijk naar Belletjes Brug gerolde bureaustoel. Hoeveel geluk kan ik aan, ook fysiek.
Maar. Wat Ted schrijft, is wáár. De VvL dóet goed werk. Daarom was ik er, gedurende een aantal jaren, lid van, tot barre tijden draconische bezuinigingen vereisten.
De idee dat een eenmaal gepubliceerd gedicht vogelvrij is, dat iedereen er mee mag doen wat-ie wil, wens ook ik te vuur & te zwaard te bestrijden, maar hoe ver moet je daarin gaan? Beter: hoe ver wil ík daar in gaan?
Ooit heb ik een uitgever zijn advocaat laten inschakelen omdat ik er – nota bene tijdens een lezing op de school in kwestie – achter kwam dat een leraar Nederlands
een door mij geschreven literatuurmethode vrijwel in zijn geheel had gekopieerd en
in syllabusvorm aan zijn leerlingen uitdeelde.
In het winkeltje van het PoëzieCentrum te Gent bladerde ik eens door een pas verschenen bloemleesbundel waarin zonder mijn toestemming werk van mij was opgenomen. In zo’n geval schrijf ik een briefje naar de betreffende uitgever, zoals ik ook ageer wanneer ik een mijner gedichten aantref in (alle praktijkvoorbeelden) een bedrijfsfolder, veterinair vakblad, een uitnodiging voor een congres of op de site van een groothandel in dierenartikelen. Niet vanwege het geld, al denk ik dat zelfs ik (nou niet direct de meest bekende of best verkopende dichter van Nederland), wanneer ik voor elke oneigenlijke overname kreeg wat er voor staat, meer dan voldoende zou ontvangen om jullie allen in restaurant Ganga te Groningen op Vindaloo te kunnen trakteren. Ik ageer met name uit verontwaardiging (de botte arrogantie waarmee een bedrijf zijn peperdure folder opleukt met een gedicht, zonder er bij stil te staan dat iemand, i.c. ik, daar wellicht weken aan heeft zitten werken) en omdat ik het met Teds bakker-analogie volkomen eens ben.
Echter, wanneer ik Google mijn naam ingeef en van hit naar hit surf, vind ik mijn werk
vooral op de bloemetjesblogs van Sandra’s, Tanja’s en Kyra’s, die schrijven dat ‘Thuis’ ‘alles zegt’.
Wat moet je dáár nou mee? Zo iemand een mail sturen? De consequentie vereist het (“de idee dat een eenmaal gepubliceerd gedicht vogelvrij is, dat iedereen er mee mag doen wat-ie wil, wens ook ik te vuur & te zwaard te bestrijden”), maar ik dóe het niet. Dáár, vóór de particulier die een van mijn gedichten zo mooi of treffend vond dat hij of zij het in zijn/haar digitale dagboekje opnam, met geen andere bedoeling dan het met zijn of haar vrienden en vriendinnen te delen, trek ik de grens. Da’s niet consequent, maar wél wat ík doe.
Zo heb ik er dus niets op tegen dat iemand hier een gedicht citeert, afkomstig uit een bundel waar hij enthousiast over is en die wij, naar zijn mening, allemaal moeten kopen en lezen. Da’s wat lezende mensen onderling nu eenmaal doen: elkaar vertellen wat ze hebben gelezen en over dit of dat werk hun enthousiasme belijden. En omdat je bloggend al je vrienden en kennissen en familieleden in een keer bereikt, doe je dat op een blog.
Ik zou er niets op tegen hebben wanneer iemand een van mijn gedichten op zijn blog zette en erbij schreef: “Ik heb noú toch een mooie bundel gelezen! Koop dat boek!”
Ik vind ook dat ik, wanneer ik laat weten een kat Macavity te hebben genoemd en Marieke vervolgens aan Eliot refereert, best het betreffende gedicht op dit blog mag citeren. En wanneer Edward dan over een vertaling begint, geniet ik ervan hem op zijn wenken te bedienen, al is het waar dat ik mij al doende zonder toestemming een broodje van bakkerij Komrij toe-eigen.
Ted heeft gelijk. De VvL heeft gelijk. Maar op de een of andere manier botst dat gelijk met mijn lol in bloggen en mijn liefde voor én plezier in poëzie.

08 juni 2007

TWOOLS

Ik was bij een fascinerende avond moderne dans. Van Scapino Rotterdam. Rein Putkamer werkt daar, en met Rein ben ik al heel wat jaren bevriend. Ik heb dus ook al heel wat voorstellingen gezien waarin hij danste, maar dit was één van de allervrolijkste, bijzonderste en wervelendste.

Lastig hoor, om iets over dans te zeggen, maar ik begin maar gewoon.
TWOOLS is geen gewone voorstelling (die meestal uit 3 of 4 balletten bestaat). Bij het jaarlijkse TWOOLS danst Scapino een hele serie korte stukken. In TWOOLS 2007 zijn dat acht stukken. Ze worden gemaakt door gastchoreografen.

Ik was van bijna alle stukken flink onder de indruk, maar van de drie stukken waarin Rein meedanste het meest. Tuurlijk. Maar ook echt, eerlijk, objectieverig en zo.

Ten eerste het krankzinnige QUEEN DREAMS GREEN van Dylan Newcomb. Rein moest al een tijdje (dat wist ik)... doedelzak leren spelen! Op het toneel zien we een Aziatische bruid, met een enorm opgeblazen achterste. Ze staat druk te gebaren. Er is ook nog een soort donkere vogelman (zie foto), maar dan... komen er drie doedelzakspelers op, die steeds precies gelijk bewegen. Alsof iemand ze met een afstandsbediening heen en weer staat te bewegen. Rein is er één van. En diepe bewondering voor hem en de andere twee: op een gegeven moment liggen ze, totaal zwartgeschilderd, met alleen een geel rokje aan, Op Hun Rug (!) doedelzak te spelen. Tada.

Het andere fotootje hier komt uit een werkelijk schitterend stuk, het mooiste van de avond. LES GENS DU COIN van Christophe Garcia. Op de foto het beginbeeld: vijf zeer verlegen mensen in een hoekje (Rein helemaal links). Eén van de vijf commandeert de anderen: opkijken! terug! achter je! handen op de buik! wisselen!
Maar aarzelend breken ze een voor een uit hun starheid. Er vlindert een prachtige dans los, de een na de ander durft en durft en durft. Soms schieten ze weer even terug in hun dwangmatige patronen, maar uiteindelijk zijn 'de mensen uit de hoek' vrij.

Dat en de prachtige muziek van de hele avond (oa Mozart, Trentemøller, Piazzolla) zorgde voor het vergeten van je stoel, het vergeten van de avond en de tijd, ademloos, néé, béter ademend, zitten kijken en na afloop zo blij zijn dat je hard mag klappen, en lang.

PS: Ik hoop dat ik de foto's hier mocht laten zien. Ze komen van de site van Scapino en zijn van Hans Gerritsen.

Varkens (door Kees)

Nou, maar niet weer over katten. (Nul comments voor ‘Macavity’. Nul (0)! Ik ben Willeke Alberti op het Eurovisie Songfestival 1994.)

En ook niet over poëzie. Leuk hoor, gastbloggen, maar om er nou voor te betálen…. Nee, vandaag wil ik een oncontroversieel relaxed freewheelonderwerp. Daarjuist mijn wekelijkse Chi Neng Qigong-training bezocht en daar kom ik onveranderlijk zó ontspannen en welbevindenvervuld vandaan dat ik geen behoefte heb aan iets groots, aan onrechtbestrijding of bombardementen. Vandaag moet het klein. Vandaag moet het zacht en dromerig. Vandaag is het 60’s en “peace, man”, al zullen weinig bezoekers van dit blog iemand dat nog hebben horen zeggen.
Dat klinkt jointerig terwijl ik in mijn leven slechts één keer zo’n ding heb gerookt. In Amsterdam, dat spreekt, in het woonkamertje van een lange vriendin die tot jaren na haar jeugd op de jonge Brigitte Bardot leek terwijl haar stem grote gelijkenis met die van Martine Bijl vertoonde.

Later, in bed, voelde ik mij – nee, wás ik een zwarte rivier die, maanbeschenen, naar God weet waar stroomde. (Als ’t zou mogen, stonden hier de eerste twee regels van het gedicht ‘Melopee’ van de heel grote dichter Paul van Ostaijen, dat jullie, als je het niet kent, allemaal moeten gaan lezen. “Móeten?” Ja, móeten.) Een niet onaangename ervaring, maar aan mijn lijf geen rokerij die mij in water verandert. Voor hetzelfde geld word je de volgende keer een sloot met een dood beest erin.
Zeg ik omdat ik laatst langs een sloot wandelde waarin de een of andere asociale
randdebiel vijf vuilniszakken had gedumpt. Daar hebben ze ook hier een handje van. Vanmorgen nog. Bij de toegang tot een bijna de horizon voorbij tarweveld had iemand een kast neergeflikkerd. Hij lag op zijn rug en er staken delen van ander grofvuil uit. Stoelpoten, metaalstrips.
Dat droppen van afval in de openbare ruimte – hier: op afgelegen, meestal mooie plekken –: ik maak me er wóedend over, maar wat ik, starend naar kasten, autobanden en vuilniszakken voorál voel: de hoogste vorm van onbegrip. Waaróm nou? Vanwege de paar rotcenten die je kwijt bent wanneer je je troep laat ophalen of naar de stort brengt? Maar je bezit wél een auto, groot genoeg om grofvuil in te vervoeren. Of een aanhangwagen. En geld voor de benzine benodigd om te rijden naar een plek ver van huizen.
Onbegrip en - wat is het woord? Intimidatie? Je smerigheid achterlaten op een plek van iedereen en de boodschap die daaruit spreekt: er gaat voor mij zó’n agressie vanuit, zó’n ontzagwekkende minachting voor en afkeer van iedereen op één na.
Maar ik liep dus langs die sloot, een sloot in een wijds landschap van wei en bos en jonge maïs. Stond stil en keek naar die vuilniszakken. Enkele waren opengebarsten.
Lege conservenblikjes, lege kartonverpakkingen. Ik stond stil en dacht en voelde en liep verder, maar Alyssa bleef staan, haar neus vlak boven het water. Ik dacht dat ze afval rook, iets wat een van de vuilniszakken was uitgestulpt. Ik riep haar, maar ze kwam niet en ik liep terug. Onder haar neus zag ik, vlak onder de waterspiegel, er bijna tegenaan, de rug van een dier, zo’n halve meter lang, onbehaard. Jong varken.
De dichtstbijzijnde varkens wonen vijf kilometer verderop.
Vandaag wil ik een oncontroversieel relaxed freewheelonderwerp.

Brief (door Kees)

Navolgende brief stuur ik vandaag naar de Vereniging van Letterkundigen.


Kees Spiering


Noordbroek, 8 juni 2007


Vereniging van Letterkundigen
Van Deysselhuis
De Lairessestraat 125
1075 HH Amsterdam


Betreft: overname gedichten op internet


Geachte heer/mevrouw,

Van 4 juni jongstleden tot 18 juni aanstaande lever ik dagelijks een bijdrage aan het weblog van Edward van de Vendel, u ongetwijfeld bekend.

Op 6 juni jongstleden heb ik op dit blog in een zogeheten ‘comment’ niet alleen het gedicht ‘Macavity: The Mystery Cat’ (uit: 'Old Possum's Book of Practical Cats', T.S. Eliot, Faber, Londen, 1939) maar ook de vertaling ervan, ‘Van Zonderen: De Wonderkat’ (uit: 'Kobus Kruls Parmantige Kattenboek', T.S. Eliot, vertaler: Gerrit Komrij, Bert Bakker, Amsterdam, 1985) in zijn geheel geciteerd.

Gisteren wees uw bestuurslid Ted van Lieshout mij erop dat ik mij, door deze “gedichten zonder toestemming en zonder het bieden van een passende vergoeding” over te nemen, schuldig heb gemaakt aan “internetpiraterij”.

Daar ik zulks niet op mijn geweten wil hebben, maak ik graag gebruik van de mij door de heer Van Lieshout geopenbaarde mogelijkheid via uw bureau “een overeenkomst te verkrijgen waarin overname van gedichten op internet geregeld kan worden”.

Omdat ik erop sta de voor het citeren van twee gedichten “passende vergoeding” te betalen, verzoek ik u mij voornoemde overeenkomst te doen toekomen.

Met vriendelijke groet en dank bij voorbaat,


Kees Spiering

……. . – 9635 .. Noordbroek – Tel.: (0598) …… of ……….
Internet: www.keesspiering.nl (i.v.) - E-mail: keesspiering@.........
Bankrelatie: ABN*AMRO, rekeningnummer: ………

07 juni 2007

Macavity (door Kees)

Zo is er ál-tíjd wat.
Luister.
T.S. Eliots gedicht over Macavity las ik voor het eerst op 14 november 1988, in een prachtig naargeestig Londens low budget-hotelkamertje. Sindsdien wilde ik een kat met die naam.

Tussen 14 november 1988 en 2 juni jongstleden deelde ik mijn leven met zeven katten. Geen van hen heette Macavity. Hun namen waren Dader (†), Indiana Jones (†), Woempie(†), Lutje, Lobke, Bilbo (?) en Thorin (†).
Alle kwamen op jonge leeftijd bij mij zodat ik ze desgewenst alle zeven Macavity had kunnen noemen, maar een fatsoenlijk mens geeft een kat geen naam die hem of haar niet past. Ik adviseer zelfs katten helemáál geen naam te geven en ze zichzelf te laten benoemen. Dat doen katten.
Neem Indiana Jones, die zich eind jaren ’80 aandiende. Ik gaf haar een naam die haar niet paste. Hoe hij luidde, herinner ik me niet, maar het was geen naam voor de onbesuisde avonturier tot welke deze poes zich ontpopte. “Jij bent een echte Indiana Jones,” sprak ik, na haar weer eens uit een benarde positie te hebben bevrijd, en voila. Indiana Jones tot in de dood.
(“Ze leeft nog!” riep Dochter (5) omdat de wind de kattenharen bewoog en toen ik op het punt stond de aarde terug te scheppen, sprong ze in het graf. “Ze ligt niet goed.”)
Woempie, ook eind jaren ’80. Zelfde verhaal andersom. Kreeg een vergeten naam die haar zeldzaam lieve karakter op geen stukken na recht deed. Ze wilde - ze móest anders heten, maar hoe? “Hé vrouwtje,” begroette ik haar. God herinnert zich hoe ik via ‘woman’ Woempie vond. Woempie moest het zijn.
Da’s A.
B: Indiana Jones, Thorin en met name Dader neigden karakterologisch naar Macavity, maar Indiana was zwartwit, Thorin blauwgrijs en Dader zwart. Macavity is – Eliot laat er geen misverstand over bestaan – ‘ginger’. Daarbij waren Indiana Jones en Thorin poezen terwijl Macavity een kater is. Hoezeer ik ook naar een Macavity verlangde: ik wilde sterk zijn en geen concessies doen. Beter geen Macavity dan een pseudo. Uit respect voor de kat die een naam moest, voor Macavity en T.S. Eliot, én omdat ik wist ‘Macavity’ slechts éénmaal te zullen uitdelen. In dat opzicht verschil ik van een mijner Terschellinger oudooms, die zijn lange leven lang al zijn honden Max noemde.
Wachten behoort niet tot mijn sterke kanten, maar ik moet toegeven dat je er plezier van kunt hebben. Achterin april vroeg Oom mij telefonisch of wij niet een paar jonge katten wilden. Kennissen van hem hadden een nestje. Ja, dat wilden wij. Vriendin is gek op katten, ik houd tot in het oneindige méér van honden, maar vind katten in en om het huis wél plezierig, en als je zo woont als wij, komen muizenvangers van pas.
Jongstleden zaterdag haalden we ze op en – de Heer zij geloofd en geprezen –
een van de twee was ruimschoots voldoende ‘ginger’ om ‘Macavity’ te rechtvaardigen. Maar…. “De rode is een kater,” sprak Oom, die er in zijn hoogtijdagen, naast kippen, ganzen, eenden en marmotten, nooit minder dan zeven honden en 20 katten op na hield. Maar…. Haháááá. Thuis zette ik het tweetal op de badkamervloer. Hoe zwaar zouden ze zijn? Paar 100 gram? Hoe hoog? Een decimeter? Ik leidde Alyssa binnen. Tien keer zo hoog, 225 keer zo zwaar. De grootdeels witte wist niet hoe snel ze zich achter een stapel handdoeken moest verschansen, maar de rode bleef zitten, keek naar Alyssa’s kop (in haar plaats hadden wij een 18 meter hoge hond gezien), hief haar rechterpootje en blies. Ik wist genoeg. Macavity was gearriveerd.

Gisteravond begaf ik mij met Macavity, Wonder en Alyssa naar mijn dierenarts, Anton. Alyssa mankeerde niets, maar het is niet verkeerd een hond ook eens voor koek en knuffels naar de dierenarts te brengen. Én ik wilde haar wegen. (67,5 kilo.) Terwijl Anton Macavity en Wonder onderzocht, lag Alyssa naast de dierenartsassistente, die de koekjestrommel beheert. “Twee poesjes,” zei Anton.
“Nee,” zei ik, “die rode is een kater.” Anton keek opnieuw. “Ze zijn érg jong,” zei hij, “en dan is het niet altijd even makkelijk te zien, maar volgens mij is dit toch echt een poes.”
Zo is er ál-tíjd wat.
Maar het blíjft Macavity.
Eliot heeft zich vergist.
Kijk maar.

Macavity: The Mystery Cat

Macavity's a Mystery Cat: she's called the Hidden Paw -
For she's the master criminal who can defy the Law.
She's the bafflement of Scotland Yard, the Flying Squad's despair:
For when they reach the scene of crime - Macavity's not there!

Macavity, Macavity, there's no one like Macavity,
She's broken every human law, she breaks the law of gravity.
Her powers of levitation would make a fakir stare,
And when you reach the scene of crime - Macavity's not there!
You may seek her in the basement, you may look up in the air -
But I tell you once and once again, Macavity's not there!

Mcavity's a ginger cat, she's very tall and thin;
You would know her if you saw her, for her eyes are sunken in.
Her brow is deeply lined with thought, her head is highly domed;
Her coat is dusty from neglect, her whiskers are uncombed.
She sways her head from side to side, with movements like a snake;
And when you think she's half asleep, she's always wide awake.

Macavity, Macavity, there's no one like Macavity,
For she's a fiend in feline shape, a monster of depravity.
You may meet her in a by-street, you may see her in the square -
But when a crime's discovered, then Macavity's not there!

She's outwardly respectable. (They say she cheats at cards.)
And her footprints are not found in any file of Scotland Yard's.
And when the larder's looted, or the jewel-case is rifled,
Or when the milk is missing, or another Peke's been stifled,
Or the greenhouse glass is broken, and the trellis past repair -
Ay, there's the wonder of the thing! Macavity's not there!

And when the Foreign Office find a Treaty's gone astray,
Or the Admiralty lose some plans and drawings by the way,
There may be a scrap of paper in the hall or on the stair -
But it's useless to investigate - Mcavity's not there!
And when the loss has been disclosed, the Secret Service say:
`It must have been Macavity!' - but she's a mile away.
You'll be sure to find her resting, or a-licking of her thumbs,
Or engaged in doing complicated long-division sums.

Macavity, Macavity, there's no one like Macavity,
There never was a Cat of such deceitfulness and suavity.
She always has an alibi, and one or two to spare:
At whatever time the deed took place - MACAVITY WASN'T THERE!
And they say that all the Cats whose wicked deeds are widely known
(I might mention Mungojerrie, I might mention Griddlebone)
Are nothing more than agents for the Cat who all the time
Just controls their operations: the Cleopatra of Crime!

06 juni 2007

DELANO

Ik zat op een terrasje. Eén tafeltje verder zat een moeder met chagrijn. Ze dronk koffie, cappuccino. Maar naast haar zat haar twaalfjarige zoon, en de twaalfjarige zoon had goede zin.

'Mam,' zei hij, 'vroeger lustte ik nooit koffie. Nu wel.' En hij keek verlekkerd naar haar cappuccino.
'Grauw,' deed de moeder, 'dat is niet voor kinderen.'
'Maar ik lust het écht!'
'Nee. Grom.'

Ze stonden op, want de moeder hield het echt niet meer uit in die veel te vrolijk makende zon. Haar zoon sprong ook op, maar terwijl de moeder tassen bijeengraaide, en sjaaltjes zocht, gooide de jongen een suikerzakje leeg in zijn moeders laatste beetje koffie, en probeerde razendsnel een slokje te nemen.
Zijn moeder zag het op tijd en begon te blaffen: 'DELANO! LAAT DAT! KOFFIE IS NIET VOOR KINDEREN! GRRRR!'

Met grote spijt, maar toch ook nog met pret-ogen zette Delano het kopje terug. Moeder trok langs mijn tafeltje op zoek naar minder boze oorden, en Delano slenterde dan maar mee.
Maar opeens stond hij nog even stil. Hij keek om naar het verlaten tafeltje en naar het kopje. Zijn glimlach spatte uit zijn gezicht, hij zwaaide met één hand kort naar de koffie en fluisterde: 'Doei, cappuccino.'

94 honden en 2 katten (door Kees)


Jongstleden zaterdag reden wij naar Tiel om deel te nemen aan de jaarlijkse ‘clubmatch’ van de Old English Mastiff Club Nederland (OEMCN). We zagen er 75 Old English (O.E.) Mastiffs en Alyssa werd vierde in de categorie Jonge Honden -Teven.
Misschien was dat, ten dele, mijn schuld. Als ik met haar had geoefend, waren we wellicht derde geworden, maar ik hád niet met haar geoefend. Niet in ‘showen’ althans.
‘Showen’ klinkt onnatuurlijk, maar ís het niet. Íedere hond ‘showt’, zelfs als pup. ‘Showen’ is niets anders dan het aannemen van een alerte houding. Wanneer een drie maanden oude pup door de tuin scharrelt en van tussen de brandnetels rond een gele bal hem onbekende geluiden hoort komen, gaat hij, tenzij (nog) een schijterd, onmiddellijk ‘showen’. Neus in de lucht, spieren gespannen, een achterpoot verder naar achteren dan de andere, klaar voor actie.
Je kunt een hond leren deze pose op commando aan te nemen, maar dat heb ik nooit gedaan. Ik ben geen fokker en doe niet mee aan keuringen of shows, behalve dan aan ‘clubmatch’ voornoemd, omdat die in de open lucht wordt gehouden en Alyssa het geweldig vindt temidden van (zo veel) honden – onder wie haar moeder en zusters – te toeven en zo veel O.E. Mastiffs bij elkaar en andere O.E. Mastiff-liefhebbers en op die dag altijd de zon en domweg fijn om met het hele stel (dit jaar: Dochter, Vriendin, Vriend van Dochter, Alyssa, ik) in een auto vol muziek door Nederland te rijden.
Maar goed. De ‘clubmatch’ van de OEMCN is een internationale wedstrijd (waaraan dit jaar - naast 49 Nederlanders - 2 Belgen, 5 Denen, 3 Duitsers, 1 Fransman, 1 Italiaan en 1 Oostenrijker deelnamen), de keurmeesters (dit jaar een Belg voor de teven en een Engelsman voor de reuen) zijn internationaal vermaarde rasdeskundigen en het is dus wél de bedoeling dat je je hond een beetje behoorlijk ‘voorbrengt’. Wat ik niet deed. Wat ik best had wíllen doen – en ook wel probeerde –, maar níet ten koste van ‘showtrainingen’. Niet dat ik er iets op tegen heb, maar waarom zoú ik.
Enfin. Eenmaal aan de beurt kwam de keurmeester op ons af en in plaats van een stoere pose aan te nemen, ging Alyssa zitten en offreerde ze de Belg haar machtige rechterpoot. Ik kon haar, liefste hond ter wereld, wel ópvreten, maar nam haar kwalijk dat ze vervolgens haar gebit niet wilde tonen. Dát hadden we namelijk wél geoefend, al anderhalf jaar. Niet uit competitieve overwegingen, maar omdat ik het, met name vanwege medicijntoediening, belangrijk vind mijn honden in de bek te kunnen (laten) kijken. Dus leer ik ze van jongs af op het commando ‘bekkie’ hun muil te openen. Edoch, jongstleden zaterdag te Tiel kon ik bekkiën wat ik wilde: - Alyssa verdomde het. “Diskwalificeren,” riep iemand, maar de keurmeester oordeelde anders. Alyssa werd vierde en ik ontving een bekertje dat, wijl ik dit schrijf, rechts van mijn toetsenbord staat. .
O.E. Mastiff? Zie hierboven, al is het gefotografeerde exemplaar niet representatief voor het ras. Zorba – zo heet-ie – is niet alleen de zwaarste O.E. Mastiff – maar, voorzover bekend, überhaúpt de zwaarste hond ter wereld. 155 kilo. Een qua gewicht gemiddelde Old English Mastiff-reu weegt tussen de 80 en 90.
Alyssa? Zie hieronder. (Die hand? Van mij.)

Halverwege de middag reden we naar Raalte, waar we geen honden zagen, maar Neef oppikten, die ons de volgende dag zou helpen Vriendins spullen naar hier te verhuizen, en waar we aten in een eetcafé waar ik nooit meer naartoe wil. Dat een tournedos een stuk dood dier is, weet ik ook wel, maar dat is voor een kok geen excuus het zo te laten smaken.
Vroeg in de avond reden we naar Oom, die in Lutten woont. Een van de ‘mooiste’, meest non-conformistische en inspirerende mensen die ik ken. We omhelsden en kusten elkaar en ik stelde hem de leden van mijn ‘gevolg’ voor. Dochter kende hij, Vriendin had hij één keer eerder gezien, Neef en Vriend zag hij voor het eerst. “Beeldschoon,” oordeelde hij terwijl hij Vriend de hand schudde en “óók beeldschoon” toen hij Neef begroette.
Behoudens zijn kippen, ganzen en poezen zagen we zijn Sint Bernhard (Bella), Mechelse Herder (Callas) en Jack Russell Terriër (Max). Wanneer Alyssa en Callas elkaar niet door Ooms boomgaardtuin achterna zaten, lagen ze, bijna tegen elkaar, te hijgen.
Omdat mij was gevraagd mijn mening over een nest Duitse Herders te geven, reden we met Oom naar een huis niet ver van het zijne. Daar zagen we zeven Duitse Herder-pups van een week of vier, zeven Maltezer Leeuwtjes en een Mechelse Herder.
Tegen elven reden we naar huis. Naast mij hield Neef een kattenreismand waarin twee kittens (week of zes) op schoot.
Deze heet Macavity:

En deze Wonder:

05 juni 2007

GEBOUW (extraatje, door Frank)

Utrecht heeft een paar leuke gebouwen, zeker, maar het heeft vooral leuke toevoegingen aan gebouwen. Op het Utrechts Centrum voor de Kunsten heeft voor een grote Expo een tijd een enorme metallic mus gezeten. De ‘Neudeflat’ bij de Neude heeft Nijntje-oren en er is een Nijntjestoplicht. En we hebben de belachelijk pittoreske arbeidershuisjes van de ‘Zeven steegjes’.

Maar het mooiste, het allermooiste staat bovenop de Inktpot. Dat is een groot, grimmig gebouw, zo groot, grimmig en lelijk dat het stiekem prachtig is. Alleen al dat er mensen ooit op het idee zijn gekomen zoiets te bouwen. Misschien ken je het wel, de Parade zet ieder jaar vlak voor de Inktpot zijn kamp op.
Sinds diezelfde expo als van de mus staat op de Inktpot een ufo. Een hele echte. Hij is zilvergrijzig, met raampjes en heeft de vorm van een vliegende schotel zoals we die uit tekenfilms kennen. Maar wat het voor mij helemaal afmaakt is dat bovenop een deurtje open staat.
Iets is uit deze ufo gekomen. Het dwaalt nu door Utrecht. Wat zou het denken?

Gele bal (door Kees)


Liefdesverdriet. God ja.
Mijn derde was van dien aard dat ik het naar mijn huisarts bracht. Die bekeek het en sprak: “Duurt een jaar.”
Ik consulteerde een kleine psycholoog en huilde in zijn spreekvertrek als een beer met zijn poot in een tandklem. De bejaarde zielkundige bracht mij tissues en thee en diagnosticeerde een “acute zware ‘klassieke’ depressie”. Behandeling ervan ging zijn mogelijkheden te boven, er was medicatie vereist, ik moest naar een psychiater.
Niet gedaan.
Wel, Godbetert, overwogen het hulppakket van zelfbenoemd liefdesverdrietdeskundige Roel van Duijn aan te vragen. Echt waar.
Mijn verdriet was een cocon, zonder ruimte voor méér dan mij, en wat iedereen ook zei: ik kon werkelijk niet geloven er ooit een scheurtje in te zullen zien verschijnen, laat staan dat hij er op een dag niet meer zou zijn. Vacuüm verpakt in verdriet, als de halve haan van Herman Kramer in zijn plastic.
En het huis uit hè, het huis waarin haar aanwezigheid alom, en haar afwezigheid ook, waar wanhoop en verdriet en uitzichtloosheid, naarmate het buiten donkerder werd, ondraaglijker werden zodat ik vluchtte, avond aan avond, de auto in, de weg op, weg, weg - naar haar ouders, haar broer en schoonzus, haar vriendinnen, mijn vrienden. En maar praten, en maar huilen. En het maar niet begrijpen.
Maar soms moet je terug.
Ik sliep in de logeerkamer, wilde niet in het bed dat we hadden gedeeld, ‘kón’ dat niet, maar af & toe moest het, dus trok ik het hoofdeind van mijn loodzware teakhouten tweepersoonsledikant, boot voor Elysische reizen, van zuid naar oost om niet te hoeven liggen zoals wij hadden gelegen.
En soms hoef je níet terug.
Na een etmaal Amsterdam reed ik naar mijn noorden, maar het vooruitzicht in het donker thuis te komen, in dat huis vol schaduw en demon, was een gruwelmuur zonder opening zodat ik lukraak oostwaarts reed en me omstreeks middernacht bij een hotel in Gelderland vervoegde.
De volgende dag reed ik mijn auto achteruit een rood Peugeotje in. Niks voor mij, maar ik was niets dan verdriet, wilde weg maar wist niet waarheen en huilde alweer. Er zijn betere redenen om achteruit een rood Peuzjootje in te rijden, maar niet meer dan twee.
Ik ontweek alles wat herinnering en dus pijn zou kunnen verhevigen, wat ten dele neerkwam op het ontwijken van schoonheid. Schoonheid verhevigt verdriet. Wat je doorgaans gelukkig maakt, maakt je, liefdesverdrietig, óngelukkiger. Míj althans. De mooiste muziek. De mooiste poëzie. Maanlicht op natte dakpannen. Hoe de avondhemel zich over een maïsveld welft. Schoonheid stak een machete in de wond en draaide en wrikte.
Wanneer ik naar Barend & Van Dorp keek, meende ik haar in het publiek te zien zitten.
Andere vrouwen, ja natuurlijk, andere vrouwen, haha en hatsekidee, geen hand maar een land nietwaar, dus ging ik uit eten met A (B.) en naar een concert met B (M.) en hoewel ik me er weinig van herinner, waren dat vast aangename avonden, maar nee, ik wilde niet mee naar binnen en de kus bij de voorkeur sloeg me Haar gezicht met zo’n kracht voor ogen dat ik naar mijn auto vlúchtte.
Ja, klote.
En het gaat niet over. Nou ja, het gaat over, maar het blijft. Een gele bal in een hoek van de tuin, die je verwaarloost zodat het gras erom- en overheen groeit en de brandnetels en het kleefkruid. En de enige manier om het écht te laten overgaan, is een nóg Grotere Liefde vinden. Of haar na 22 jaar terugzien, een verhouding beginnen en erachter komen dat jullie niets delen dan herinneringen. En dan vrienden worden. Dan is het nóg niet over, maar wel zo over als mogelijk.

04 juni 2007

RADIO KOOTWIJK


Commenter Gerco reageerde op een van mijn vorige stukjes over mooie gebouwen. Hij noemde het gebouw A van Radio Kootwijk. Ik zocht op internet informatie over dit gebouw en kwam op fascinerend terrein.

Radio Kootwijk is namelijk geen radiostation, of een instelling of zo. Het is een dorp. Vlakbij Apeldoorn.
Een dorp dat geboren werd in de vroege jaren twintig van de vorige eeuw. De PTT richtte een zendstation op, met zes hoge masten. Het zendstation onderhield bijvoorbeeld de contacten met Nederlands-Indië. De langste zender werd 'Lange Gerrit' genoemd. In de Tweede wereldoorlog bliezen de Duisters de zender op.

De eerste werknemers van het zendstation werden verplicht dichtbij te wonen. Voor hen werden barakken neergezet. later werden dat huizen, en nu is Radio Kootwijk een echt dorpje, met 120 inwoners. En, zoals de officiële Radio Kootwijk-website meldt: een belangenvereniging die zorg draagt voor ontspanning en jaarlijks verschillende evenementen organiseert, zoals: Eierenzoeken en schatgraven, dauwtrappen, Voetbaltoernooi en het Sint Nicolaasfeest.

De trots van het dorp is gebouw A - zie foto. Dat was ook het gebouw dat Gerco bedoelde in zijn comment. Het is van de Duitse architect Jules Maria Luthmann. Gebouw A is nu een monument, en wordt af en toe als decor voor films gebruikt. Bijvoorbeeld voor de Amerikaanse film Mindhunters uit 2004.

De zenders zijn inmiddels in onbruik geraakt, en zelfs neergehaald. Het eigendom van de officiële gebouwen is overgedragen aan Staatsbosbeheer, maar er is nog niet voor elk gebouw een nieuwe bestemming. Een van de kleine gebouwtjes is nu een schaapskooi, maar er staan er ook nog een paar leeg. Sommige grotere gebouwen werden anti-kraak bewoond, maar er zijn ook drama's: zowel gebouw H alsook gebouw F zijn vorig jaar door onduidelijke oorzaken afgebrand...

Dank, Gerco, voor een mooie tip. Volgens mij moeten we erheen.

W. (door Kees)


Er moest worden verbouwd, dus belde ik bouwbedrijf S. Klein familiebedrijf, ‘geleid’ door K. en W. Broers. Grote sterke kerels, vaklui, weinig woorden. Recht door zee en afspraak is afspraak. Geen mannen voor de administratie, - die werd bestierd door G., W.’s echtgenote, die ik nooit heb gezien, maar telefonisch vaak gehoord. Vriendelijk heldere stem. Ze leek me sympathiek en kordaat.
Ik belde bouwbedrijf S. omdat K. en W. en hun mannen in een van mijn vorige huizen voorbeeldig werk hadden verricht. Én omdat ik bij die gelegenheid op ze gesteld was geraakt. Dus liet ik anderen geen offertes maken. De rust van genegenheid en vertrouwen is mij meer waard dan een paar 1000 € minder rood.
Er hoefde niet veel te gebeuren. Paar binnenmuren eruit en de dakconstructie verstevigen. Voor het installatiewerk bestelden K. en W. elektriciens en loodgieters. Ieder zijn vak.
De verbouwing werd uitgevoerd door W. en een kleine, zwijgzame man, die ik nooit zonder ijsmuts heb gezien.
Ik ben groot, W. was groter. Ik ben dik, W. was dikker. Reus van een vent, ex-profvoetballer, kalend, stoppelbaard. Prachtige man. Wanneer hij moest lezen of schrijven, zette hij een brilletje op, maar de pootjes bereikten nooit zijn oren. Een man bij wie je je veilig voelde. Bij wie je je, zolang je ‘normaal’ deed, veilig kón voelen. Een Groninger beer, een lieve.
Vanwege een beperkt budget konden we geen ‘witte’ stukadoor inhuren, dus deed W. me voor hoe je een muurtje stuukt. Meesterlijk. En de keukenvloer uitvlakken: “Dat kan je ja zelf.” Binnensmonds, op die intimiderende, typisch Groninger toon waarin de niet-Groninger onder meer spot en verwijt bespeurt. Maar toen ik het ‘nieuwe’ huis ’s avonds bezocht, wachtte mij een stuk multiplex waarop W. had geschreven én getekend hoe je een vloer uitvlakt. En een paar dagen later belde hij ’s avonds. “W. hier. Gelukt met die vloer?”
Ruwe bolster. Trots op zijn zoon, die in zijn sport tot de besten van Nederland behoort. Bezorgd om zijn opa, die aan kanker lijdt. “We passen om de beurt op. Ik moet hem om het half uur naar de wc dragen. Hij was een beer, nu til ik hem met één hand.” Vertelde hij wanneer we in de onttakelde woonkamer op vouwstoeltjes boterhammen aten.
Dat was een maand of drie geleden.
Vandaag bereikte mij het bericht van W.’s zelfmoord.
Zijn echtgenote had hem in april verlaten. Ik vermoedde zoiets. Toen mijn vriendin haar onlangs belde om iets over een rekening te vragen, kreeg ze W. aan de lijn. Nee, G. deed de administratie niet langer. “Privé-omstandigheden.”
Naar verluidt, greep G.’s vertrek W. dermate aan dat hij psychisch ziek werd. Ziek en zieker. Tenslotte vond zijn huisarts dat W. moest worden opgenomen. De Groninger gigant wist niet of hij dát wilde. Een middaglang sprak hij met vrienden, familie, zijn zoon. Tenslotte liet hij weten hen vóór negen uur ’s avonds te zullen vertellen of hij zich naar de afdeling Psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Groningen wilde laten brengen.
Men liet hem alleen. Waarna hij in zijn huis zóveel benzine uitgoot dat het binnen 20 minuten opbrandde. Zijn overbuurman: “Ik kwam tegen zessen thuis, niets aan de hand. Het huis stond er gewoon. Ik zette een Cd op en toen ik na vijf nummers naar buiten keek, was het wég.”
Letterlijk onvoorstelbaar. Zó groot en breed, zó sterk en onderkoeld. Als je nou toch, zou je denken, íemand de pis niet lauw maakte.
“De liefde,” zei Geert van Oorschot, “is iets heel moois.”
Het duurde een etmaal vóór men W.’s resten vond, in een hoek van een vertrek dat er niet meer was.

03 juni 2007

HIJ IS ER WEER

De man uit het Noorden is terug.

Dichter, schrijver, vertaler, mastiff-kenner (en trouwens: alle hondenrassen) en Noordbroekenaar
KEES SPIERING.

In de begindagen van dit blog was hij een van de pilaren onder een wankel gebouwtje. Nu is hij er ook nog eens drie stutbalken en een koepelverbinding bij.

Welkom terug, Kees, en de komende twee weken, vanaf morgen, hangen wij weer aan je stukjes als aan een uitstekende rotspunt!

GEBOUW (extraatje, door Jan Paul)


Als tegenhanger van het moderne KPN-gebouw kom ik met de basiliek van St-Agatha en St-Barbara in Oudenbosch.

Gisteren waren we in Brussel en zoals in elke échte stad staan daar veel schitterende paleizen. Ons land heeft geen enkel paleis dat zich kan meten met die van andere landen. Daar denken we te klein voor. Het koninklijk paleis op de Dam zou in Parijs leuk zijn voor een stadsdeelraadskantoor. Voor het Nationaal Schoenvetermuseum in Londen. Of voor het consulaatsgebouw van Trinidad en Tobago in Sint Petersburg. Meer niet. Doe maar gewoon.

Maar Pater Hellemons van het 3500 zielen tellende Oudenbosch dacht er in 1865 anders over: ´Over vijftig jaar wonen hier misschien wel 5500 mensen. We hebben dus een grotere kerk nodig.´ Daarom zamelde hij (veel) geld in en gaf hij de beroemde architect Cuypers de opdracht om de Sint Pieter van Rome na te maken. In een schaal van 1 op 16. Dat lijkt klein, maar wie vanuit Rotterdam naar Zeeland rijdt, ziet de koepel van de basiliek al op kilometers afstand. En van dichtbij is hij nog veel mooier en imposanter.

Tussen snelwegen, weilanden en heel veel niets is de basiliek van Oudenbosch een parel. Een voorbeeld van wat je krijgt als je eens niet calvinistisch denkt.

02 juni 2007

BATTLE OF THE BANDS

Vanavond een youtube-vondst. Beetje gewelddadig, maar daar gaat het niet om. Kijk eens naar deze bijzonder knappe combinatie van allerlei bekende platenhoezen, en hoe de oorlog van hoes tot hoes uitbreekt...

01 juni 2007

GEBOUW

In mijn favoriete dagblad Trouw wordt al een tijdje aandacht besteed aan de mooiste gebouwen van Nederland. Uiteindelijk leidt dat tot het verkiezen van Het Mooiste Gebouw.

Een van de mooiste gebouwen van Rotterdam vind ik in elk geval het hoofdbureau van de KPN. Het staat op de Kop van Zuid, net ná de fameuze Erasmusbrug (de mooiste brug die we in Nederland hebben).
Het gebouw is van de Italiaanse architect Renzo Piano. Het heeft een enorme voorgevel, waarop ongeveer duizend grote groene lampen zijn aangebracht. De lampen worden individueel, interactief aangestuurd, waardoor er op de mega-wand lichtpatronen ontstaan.
Er worden 'voorstellingen' mee gemaakt, de lampen gaan in een bepaalde frequentie aan en uit. Van die 'voorstellingen' maakt KPN de helft. (Hebben ze daar iemand speciaal voor in dienst?)
De gemeente Rotterdam maakt ook 20 % van de beelden (van algemene sociaal-maatschappelijke aard) en de Willem de Kooning Academie, de kunstacademie dus, maakt de resterende 30 % van de lichtvoorstellingen.

Erg mooi vind ik vooral het feit dat de gevel voorover helt. Deze hoek loopt parallel aan de schuinte van de pylonen van de Erasmusbrug.

Voor de vaste bijdragers of commenters van deze site: wat is jullie mooiste gebouw? (Of: een mooi gebouw). En wil je er een stukje over schrijven? Ik maak er dan een aparte posting van... Niks hoeft natuurlijk hè, maar ik ben wèl benieuwd...

31 mei 2007

ZOMERGASTEN & SONJA

Ik ben zeer in de verleiding gekomen om iets te schrijven over Sonja. Om wéér iets te schrijven over Sonja. Sonja Barend. En ik weet dat het jeugdsentiment is, maar, eerlijk waar, ik heb zoveel aan haar uitzendingen gehad - ik denk werkelijk dat ik mede door de Sonja-uitzendingen ben gevormd. Dus ik doe het toch maar even. Voor mezelf dan maar.

Vanavond was de aller-aller-allerlaatste Sonja, een compilatie van vele jaren mooie gesprekken en bijzondere optredens. En ik was geroerd door het een na laatste fragment. Blijkbaar was er ooit een uitzending waarin kinderboekschrijvers uitgenodigd waren. Ik zag Evert Hartman, Thea Beckman, Miep Diekmann, Dick Bruna en Joke van Leeuwen. Maar ook Paul Biegel! En het gesprek werd uiteraard gevoerd met Annie M.G. Schmidt. Een koninginnengesprek dus. Koningin tegenover koningin.

Sonja vroeg aan mevrouw M.G. wat het geheim was van 'leuk oud worden'.
'Allereerst,' zei Annie, 'geloof ik dat je veel moet roken.'
Haar verdere adviezen waren: 'Zorg dat je, als je getrouwd bent, naast de man en de kinderen, ook wat dingen voor jezelf blijft doen. Iets leuks. Een hobby of zo.' En terwijl de eindtune al begon te spelen, begonnen haar ogen te twinkelen en voegde ze er aan toe: 'Vreemdgaan bijvoorbeeld.'

Ik zou die uitzending graag, graag, graag herhaald zien, niet vanwege dat vreemdgaan, want mevrouw Schmidt vond het leuk een beetje te shockeren, denk ik, maar wel vanwege alles wat er verder is gezegd, ook door de andere schrijvers,
en het is in elk geval een van de fragmenten die ik ooit zou willen zien bij Zomergasten.

Wat leidt tot de volgende vraag, de vraag die ik al een tijdje wilde stellen: wat zouden jullie, mochten jullie Zomergasten-hoofdgast zijn, willen terugzien?

30 mei 2007

De perfecte leugen (door Alexander)

Welke rol ik zou willen spelen. Nou, die van Richard Gere in THE HOAX, een film die ik nog maar net in de bioscoop zag. Ik wil zijn rol hebben, ik wil de hoofdrol spelen, die van Clifford Irving, fabulerend journalist, fabulerend man. Niet omdat ik graag zo zou spelen als Richard Gere doet, maar omdat ik Clifford Irving wil zijn. Ik wil doen wat Clifford Irving deed.

Hij verzint dat hij de ghostwriter is van Howard Hughes, in die tijd de rijkste man op aarde, en bovendien een krankzinnige kluizenaar, die zelfs binnen zijn enorme luchtvaartmaatschappij niemand spreekt, hij stuurt alleen briefjes. Irving co-schrijft zijn autobiografie.

Verzint Irving. En het lukt. Ze geloven hem. Irvings truc is dat hij niets, níets liegt, behalve één dingetje, namelijk dat hij die 'autobiografie' schrijft. Dat hij Howard Hughes is. Maar verder klopt alles. Hughes ontmoet de uitgever nooit - maar ja, hij is dan ook een krankzinnige kluizenaar, die alléén contact met Irving wil hebben. Verhalen over Hughes' jeugd zijn wel af te troggelen bij oude kennissen, en verder is het vooral nauwkeurig denkwerk: Irving pluist Hughes uit alsof hij zijn romanpersonage is, volgt de logica van het verhaal. Hij moet voor zijn gevoel wel bijna echt de autobiografie van Hughes schrijven, anders wordt hij nog niet geloofd.

Maar het gaat toch mis, want Hughes is nog in leven en denkt op een gegeven moment iets als: ja hallo! Dus nee, ik wil die rol niet, ik wil beter zijn dan Clifford Irving.

Een identiteit creëren die niet mijn eigen identiteit is, maar die zo dicht bij de waarheid blijft, dat niemand vermoedt dat nou juist de kern gelogen is. Het moet niet moeilijk zijn. Dan noem ik mezelf Karel bijvoorbeeld, Karel Davids, en dan zou ik precies doen en zeggen wat Alexander Koning zou doen en zeggen, alleen dan onder een andere naam, en misschien zou ik hier en daar wat extra dingetjes nemen, ik zou sociologie studeren in plaats van psychologie, maar niet te gekke dingen. Het moet maar een béétje liegen zijn. En het beste verbergen is het dicht-bij-huis-verbergen. Ik zou ook rookgordijntjes plaatsen, ik zou Alexander Koning nog náást mij laten bestaan. Ik zou mensen laten geloven dat Karel Davids een ander mens is dan Alexander Koning. Ik zou mensen hen allebei laten kennen, zonder dat zij weten dat de een dezelfde als de ander is. Zolang ze hen niet allebei gezien of gesproken hebben, ontmoet, kan het lukken.

Ik zou alleen nog even moeten bedenken waar het goed voor zou zijn - als experiment, als test of het écht zou kunnen, als psychologisch experiment bij mezelf? - maar het zou de perfecte leugen zijn. De perfecte leugen is onontdekt.

En daarmee sluit ik af, geef ik het gastbloggerstokje door aan de volgende (en ik weet stiekem al wie het is, en ik ben heel blij dat diegene het is!!). Tot slot doe ik jullie nog de hartelijke groeten van Karel Davids.