30 april 2007

KONINGINNEDAG EN FRUIT

Het is Koninginnedag en ik heb beloofd dat ik iets zou bloggen over fruit.

Vroeger werd er in het dorpje waar ik opgroeide altijd een optocht georganiseerd. De harmonie toeterde de weg open, er reden versierde karren mee met gezinnen of kleuterscholen erop, en daarachter liepen de verklede kinderen.

Heb ik ook een paar jaar gedaan. Ik was klein en werd samen met mijn broer door mijn moeder van een outfit voorzien. In 1974 was dat bijvoorbeeld onder het thema 'Zwart en wit'. Dat betekende dat mijn broer en ik een laddertje in handen kregen. Hij een zwarte, ik een witte. Hij, René, was schoorsteenveger, en ik was schilder. Op bijgaande foto zie je ons staan. (Ik ben daar negen, René is zeven. Let op de sandaaltjes.) Op onze petten had mijn moeder een wijze spreuk geschreven, iets over dat zwart en wit heus samen kunnen gaan. Ja: ebony and ivory.

Maar de grootste transformatie hebben mijn broertje en ik een jaar ervóór ondergaan. We waren namelijk: fruit.
Vergeet niet dat we in de Betuwe opgroeiden, fruitstreek.
René was peer, en ik? Ik was appel.
Jazeker, er bolde piepschuimen vruchtvlees om mij heen, en we waren, moet ik zeggen, lekker rijp. Een goudglanzend duo.
Ik had een steeltje. Dat stak venijnig uit mijn nek. En mijn moeder bezwoer me gisteren dat we ook blad droegen.

Helaas zijn er geen foto's meer van, en dus moet ik dat aan de fantasie van de bloglezer over laten. Wil het lukken?

DE THRILLER

Het was een thriller gisteren, de trio-opvoering van Ajax, AZ en PSV om uit te vechten wie nu precies de landskampioen was. Voor de verandering eens zeer goed in beeld gebracht door TIEN.
Vooral door het uitzenden van de juiste details. Later, bij de wedstrijd Feyenoord-Heerenveen was dat bijvoorbeeld de minutenlange close-up van de huilende Van Hooijdonck. Hij moest nog doorspelen, maar het werd zwaar verliezen. Hij ging nog in een muurtje staan, de tranen stroomden hem uit het gezicht, en ja hoor, over zijn hoofd vloog ook de volgende bal er weer in. Zelden iemand gezien die zich zo verslagen weet.

Maar het prachtigste was toch Ronald Koeman die kampioen geworden was, op het veld stond temidden van kokend enthousiasme en alleen maar met de allergrootste liefde over Philip Cocu kon spreken. Zijn hart stroomde over toen hij vertelde hoe Cocu na zijn kampioenschapwinnende doelpunt naar hem toe was gekomen om te zeggen: 'Deze is ook voor jou.'
Koeman, die heus nog steeds serieus onder vuur ligt, stamelde stralend: 'Philip was een jonge god! Philip was vandaag een jonge god!'

En daarna kwam Cocu voor de camera melden dat hij stopt bij PSV. Prachtig, alles samen. Rijk, dramatisch, episch, ontroerend.

29 april 2007

Mythes (door Frank)

Elk jaar gaat mijn rugbyclub op reis. Ik had drie jaar niet gespeeld en in die tijd was ik een arme student geworden, dus het hele team had geld ingelegd zodat ik ook mee kon. Parijs! We zouden een wedstrijd spelen, een interland kijken uit het Six Nations toernooi en over het algemeen Parijs onveilig gaan maken.

Later hoorde ik dat de bus vertrok bij het clubhuis, maar ik stond netjes om negen uur met mijn tas en hooggespannen verwachtingen klaar bij het Jaarbeursplein en zag maar geen teamgenoten verschijnen. Het werd half tien, nog steeds niemand en ze zouden toch niet allemaal een half uur te laat zijn? Bellen ging niet, want mijn telefoon lag thuis, die zou ik in Parijs toch niet nodig hebben.
Ik ben maar naar huis gegaan.

Daar heb ik het adres van het hotel uit mijn kladblok gescheurd, heb een boek gepakt voor onderweg en ben terug gegaan naar het station. ‘Een enkeltje Parijs graag.’ Het avontuur kon beginnen, op naar de Rue de Chevalier de la barre.

Goedkoop kaartje dus veel opverstappen en om acht uur ’s avonds reed ik Paris Nord binnen. Buiten was het donker, binnen scharrelden wat reizigers rond, op weg naar huis. Na enig vragen werd er een metrostation genoemd. Daar moest ik maar heen gaan.

Ik stapte uit, liep de trap op en zag een heleboel Parijs om me heen. Huizen met de gordijnen dicht, mensen die hun hond nog even uitlieten. Of ze de Rue de Chevalier de la barre kenden. Ja hoor, en ze wezen alledrie een andere kant op. Verhitte discussie in snel Frans. Ik moest in ieder geval de berg op, daar werden ze het dan nog wel over eens. Ik ging de berg op.

Ik vond de Rue de Chevalier de la barre.
Ik vond het hotel.
‘Heeft u hier een nederlands rugbyteam?’
‘Nee.’
Shit.
‘Die zitten in een hotel om de hoek. Hier was geen plaats.’
Ik ging de hoek om.
‘Heeft u hier een nederlands rugbyteam?’
‘Ja.’
‘Daar ben ik er één van.’
‘Ah.’
Sleutel. Kamer. Pizza in de stad, de anderen zaten natuurlijk allang ergens in een onvindbare Parijse kroeg. En bellen ging niet. Mijn telefoon lag thuis, die zou ik in Parijs toch niet nodig hebben.

De volgende ochtend zat ik te ontbijten. Jacco kwam de eetzaal in, katerig. Zijn hoofd zei:
Dat is Frank.
Maar die zat niet in de bus.
Maar hij is hier wel.
Maar hij zat niet in de bus.
Maar hij is er wel.
Maar …

De rugbyclub kent zijn eigen Griekse mythes. Verhalen die te pas en te onpas worden verteld. Waarin een held obstakels moet overwinnen en dat spectaculair doet. Waar teveel versies van zijn om nog precies te weten hoe het zat. Waar de gemiddelde oude Griek Hercules of Achilles nooit op straat heeft zien lopen, zijn er spelers die ik nooit ontmoet heb, maar van wie ik precies weet wat ze op trip hebben uitgespookt.

Nou ja, precies, als het laat op de avond is, aan de bar na een training blijkt vaak dat het verhaal nog veel mooier is dan ik dacht. Met terugwerkende kracht.

Die verhalen.
Daar hoor ik nu bij.

TERUG MET BROUWERS

We zijn weer terug uit Bologna. Het was zonnig en enthousiast. We brachten de dag van gisteren door op de Piazza Maggiore, met Caffe Latte en Campari Arancia. We kregen het over fruit (en dus niet alleen maar over fragolini), maar daar zal ik morgen, in het kader van Koninginnedag, nader over bloggen. Wees bereid.

In het vliegtuig terug las ik het boek KRONIEK VAN EEN KARAKTER van Jeroen Brouwers. Brouwers heeft de grote Prijs Der Nederlandse Letteren gekregen en daar ben ik blij om. Brouwers lezen is genieten, althans voor mij. Hij verslaaft mij keer op keer. Ook nu weer. KRONIEK VAN EEN KARAKTER is een brievenboek, en ik kan maar niet stoppen met doorlezen. Ik wil 's ochtends opstaan, maar KRONIEK zwiept vanaf de bedrand naar tussen mijn vingers en elke brief trekt me mee naar de volgende brief.

De brieven gaan over uiteenlopende zaken als de hanen in zijn tuin en de dood van zijn moeder.
Van dit:
'Waar ik nu zit, blik ik koeien in het gelaat. Wat me overkomt, ik weet het niet, het lijkt wel zacht geluk.'
tot:
'Laatst stond ik een kuil te delven. Toen stootte mijn schop op iets lichtblauws. Dat bleek te zijn een stervormig plastic zandvormpje, dat ondersteboven in een ander lichtblauw stervormig plastic zandvormpje was vastgedrukt, zodat die twee vormpjes een doosje vormden, als het ware, eigenlijk, hoe zal ik het zeggen. Dat 'doosje' wist ik open te krijgen. Er zat een goudkleurige dooie kever in, misschien al jaren dood en toen plechtig ter aarde besteld, en nu door mij weer aangetroffen.'
tot:
'Me foon is afgesloten van het grote foonhuis waar de foonkoning woont. Ik ben namelijk een wanbetaler, en geheel in tegenstelling tot de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, waarvan je toch lid blijft al betaal je nog zo wan, knipt de foonkoning, als je je foon wanbetaalt, ruuksiegtloos je draadje door. Zo komt het dat jij en ik elkaar niet meer kunnen befonen.
Als alle wan is opgelost hoor je mij op zekere dag weer vrolijk rinkelen. Stoot daarbij weer niet je teen.'

tot dit:
'Al dat schrijven van mij, wat betekent dat nou? Niets anders dan dat ik bezig ben in mijn eigen tuintje van begoocheling.'

CRAZY FROG BROS


Heel soms moet ik uitleggen waarom ik zo graag voor kinderen en jongeren schrijf. Laat ik dan nu een (nogal bekend) filmpje laten zien dat alles voor eens en altijd verklaart.

Klik hier dingdingding!

28 april 2007

Fatsoensbeambte (door Frank)

Hij is een grote, sterke man. Op straat gaan de mensen voor hem opzij. Hij heeft die ruitme ook nodig want hij is indrukwekkend breed geschouderd. Onder zijn zwarte uniform , met het glimmend zilveren V-tje, moeten soepele spierkabels liggen.
Hij is beveiliger en dat zullen ze weten ook. Daarom bezoekt hij regelmatig de gewichtenafdeling van de sportschool en scheert hij zijn hoofd kaal zodat zijn donkere huid glimt in de zon als hij buiten op wacht staat.

In een rustige wijk, in een rustige stad in Nederland. De hele wordt hij gepasseerd door schuifelende bejaarden en tweeverdienende dertigers met jengelende kinderen.
Geen rellende hangjongeren. Geen voorbijflitsende winkeldieven op scootertjes. Nog geen winkelalarm dat per ongeluk afgaat en de hele buurt op stelten zet zodat hij iedereen zou kunnen kalmeren.

Hij is langzaam afgetakeld. Van verveling ging hij over in ijver. Baste de klanten toe dat het gebruik van winkelwagentjes verplicht is, raapte fanatiek propjes op van de grond en wreef iedere tien minuten zijn V-tje tot het glom als de glazen van zijn zonnebril.
Sinds kort draagt hij een fluitje bij zich om fietsers halt te laten houden en over het plein toe te schreeuwen dat dat hier toch echt niet de bedoeling en of ze wel eens heel snel willen afstappen. Passerende wijkagenten geven hem meesmuilend schouderklopjes.
"Goed zo, jongen, vertel het ze maar."

SMAAK EN VERRAAD

Vanavond komen we weer thuis uit Bologna. Met herinneringen.
En bij de herinnering aan Bologna horen smaken.

Die van de speciale Bolognese pasta bijvoorbeeld. Die pasta heet gramigna. In mijn herinnering de lekkerste pasta ooit. Het zijn kleine groen gedraaide schroefvormige pastaatjes met een saus van stukjes worst.
Die smaakherinnering gaat echter een jaar of zeven terug, en leek zich niet te herhalen - simpelweg omdat ik de afgelopen jaren de pasta nergens meer vond.
Tot gisteravond.

In het restaurant waar we waren stond het op de kaart. Maar wat bleek? Het waren geen schroefjes, maar lange elleboogjes. De pasta was niet groen maar geel. En de saus was vet en vies in plaats van hemelherinnerend. Pastaverraad. Herinneringengekte.

Maar: aardbeien!
Ik hou eigenlijk niet zo van aardbeien. Rood water met weerhaakjes - zo wordt er binnenin mijn mond meestal over aardbeien gesmaald. Ja, het zijn vuige roddelaars, die smaakpapillen van mij.
Maar gisteren kreeg ik fragolini. De kleine bosaardbeitjes die ook zo typerend voor Bologna zijn. En wat een paradijselijk genoegen! Ze ontploften zachtjes op mijn tong en iedereen daarbinnen viel in katzwijm. Smaak met een grote S, een grote M, een grote A, een grote A en een grote K. Eetcupidootjes die raak schoten.

In de holte van mijn Italiaanse genotsherinneringen is de tijdelijke gramigna-vacature dus weer opgevuld. Fragolini is the name. Met een grote F, een grote R, een...

Hebben jullie ook smaak-plaats-hemel-verbindingen?

27 april 2007

Slome (door Frank)

Een tijdje terug heb ik me voorgenomen om elke dag een kort stukje te schrijven. Niet elke dag een gedicht of een hoofdstuk, gewoon een stukje schrijven om het schrijven. Ik kan namelijk een erg luie schrijver zijn.

Een vriend had me gewezen op de Daily Flo, een dagelijks stripje van Floor de Goede (die zichzelf een luie tekenaar noemt.) Daar kijk ik nu elke dag even, bij hem lijkt het een goede stok achter de deur te zijn. Flo is te vinden op www.doyouknowflo.nl.
Zelf ben ik voortvarend aan de slag gegaan. En heb twee stukjes geschreven. De derde dag kwam er al iets anders langs wat ik moest doen. De vierde dag was ik er niet, enzovoort, enzoverder.

Het eerste stukje past wel aardig bij het soort dagen dat we nu hebben.


We zien waar Zusje op haar rug in het gras ligt door de zeepbellen die ze omhoog blaast. Ze blijven plakken en glimmen als kroonluchters in de bomen. Zusje droomt van balzalen en prinsessenjurken.

Slome en ik drijven in opblaasboten tussen het sigarenriet. We zuigen de de smaak uit raketijsjes en proberen de maan te zien achter de blauwe lucht. We kijken tot onze ogen prikken van het licht.
Alle apparaten met stekkers hebben we verzameld en als papa uit het schuurtje is maken we er een raket van met zijn gereedschap.

Er is maar net genoeg hout om een éénpersoonsraket te maken. Slome hield zijn handen achter zijn rug en ik koos links. De steen van achter de tuinmuur zat in zijn linkerhand. Ik vlieg naar Mars en Slome mag me uitzwaaien. Ik moet wel iets voor hem meenemen maar hij weet nog niet wat.

De steen van achter de tuinmuur is zwart en glanzend met witte sliertjes erdoor. Er staan letters op die we niet kunnen lezen. Volgens Slome is hij afgebroken van een grafsteen, maar ik heb geen graf gezien achter de muur, alleen brandnetels en een verroest verkeersbord met ‘Utrecht 7 km’ erop.
Slome zegt dat de graaf van Utrecht achter de muur begraven ligt. Slome zei ook dat hij een geheime gang had gevonden in de kelder. Er stonden alleen saaie potten met peren erin en Zusje ging gillen toen ze een spin zag.

Morgen ben ik weg en dan moet Zusje met hem spelen want hij kan niet alleen zijn volgens papa. Slome is niet helemaal goed.

INTRODUCING...

Een nieuwe gastblogger!

Frank van Oosterhout is dichter, student, organisator en rugbyspeler. En ongetwijfeld zal hij over al die aspecten van zijn dagelijks leven gaan bloggen.

Ik ken Frank sinds een paar jaar, ik gaf gastlessen op de Hogeschool voor de Kunsten, afdeling Dramaschrijven, in Utrecht. Samen met Jelmer en Simon werkte Frank nog een tijdje door na de periode van zeven lessen, allen schreven sterke jeugdgedichten.

Frank - welkom welkom welkom hier, en wat fijn dat je wil meehelpen hier. We kijken uit naar je stukjes!

Klik hier voor meer info over Frank...

26 april 2007

I GIORNI DI BOLOGNA

Hier gaat het goed. Geen rijen meer, geen voordringers.
Het is hier zomers warm, we hebben van dat zongedoe waarbij je meteen denkt aan het ontknopen van bloezen (die van jezelf) en in het water duiken. Maar vanuit een fijn verlangen, niet vanuit een puffend verlangen.
De uitgevers doen vrolijk hun werk, de Nederlandse stands zien er mooi oranje (en andere felle pastelkleuren) uit en wij drinken koffie en eten ijsjes met andere auteurs en tekenaars (en met Marieke, uiteraard!).

Maar ik wilde nog even iets zeggen over een omgekeerd programma-idee dat ik onlangs had. Namelijk: TAXI in reverse.
Ik neem af en toe een taxi, vaak in Rotterdam, soms ook in Bologna. En heel vaak zijn de korte gesprekken in de taxi leuk. Precies zoals in het tvprogramma TAXI. Met dit verschil dat in mijn ervaring het vooral de taxichauffeurs zijn die kletsen.

Zo heeft mij een taxichauffeur in New York duidelijk uitgelegd wat de oorsprong van de strijd tussen het Christendom en de Islam is. Het gaat om vaderschap. Hij zei: in het bijbelverhaal heeft Abraham twee zonen. Ismael en Isaak. Isaak wordt de grondlegger van het Christendom, Ismael, de verstoten zoon, de grondlegger van de Islam. En het probleem van beide religies is nu dat de Islam nog steeds een zeurend zoontje is die aandacht wil van zijn vader, en dat het Christendom nog steeds een pestend zoontje is dat zegt: wij zijn beter want onze papa heeft mij gekozen.

Een taxichauffeur in Rotterdam heeft me geleerd naar de Egyptische zanger Amr Diab te luisteren. En de Bolognese taxichauffeuse bewees dat je zonder enig probleem met elkaar kunt communiceren door allebei je eigen taal te blijven spreken, maar wel veel gebaren te maken.

Ik had het moeten filmen. Maar wie wil mag het idee dus stelen. Omgekeerd TAXI. IXAT.

25 april 2007

Lang en gelukkig (door Alexander)

Heel ver ben ik nog niet in dat boek van García Márquez, dus ik zit nog een beetje te wachten op dat magische realisme, dat foefje waarmee hij zo bekend is geworden. Want ik ben wel benieuwd wat dat inhoudt. Ik stel het me voor alsof de hoofdpersoon op volstrekt geloofwaardige wijze een bakkie doet met een overleden overgrootmoeder. Ik verwacht dat er niemand gek van opkijkt als er iets voorvalt waarvan men gek zou moeten opkijken. Een beetje zoals ik het zag in de film PAN'S LABYRINTH (EL LABERINTO DEL FAUNO), een film die iedereen moet gaan zien.

Regisseur Guillermo del Toro lijkt een redelijk 'gewoon' sprookje te vertellen, met Disney-waardige elementen als een verloren prinses die uit een onderaards koninkrijk is verdwenen en op aarde terechtkwam. Maar het speelt zich ook af in de rauwe realiteit van de Spaanse burgeroorlog, waar Franco en zijn nationalisten net een bittere strijd gewonnen hebben. Hoofdpersoon is de jonge Ofelia, die met haar moeder intrekt bij haar nieuwe liefde, een Franco-generaal. Ofelia komt op zijn landgoed in aanraking met een elfje en met een faun die een opdracht voor haar heeft: ze moet een drietal opdrachten vervullen, om te bewijzen dat zij de verloren prinses is.

Het resultaat is een onvoorspelbaar, grimmig, macaber sprookje van een gedurfde en bittere schoonheid. Ik moest een beetje aan de zich steeds meer ontwikkelende HARRY POTTER-reeks denken. Om twee redenen.

De eerste is dat de magie van Potter nergens onrealistisch wordt, terwijl er toch met een zeker verwondering naar gekeken wordt. Zoals Harry wel wil aannemen dat de parallelle wereld van Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus bestáát, maar er toch een beetje verwonderd over blijft tot hij het met eigen ogen ziet, zo verbaast Ofelia zich er wel over dat de faun bestaat, maar neemt de gevolgen van zijn bestaan ook bloedserieus. Dat laat het een sprookje zijn zoals een sprookje zou moeten zijn: puur geloofwaardig, zonder de geloofwaardigheid van het verhaal ook maar een moment in twijfel te trekken. In dit verhaal kán dit. Dat voel je.

De tweede reden dat ik het met Potter vergelijk is dat PAN'S LABYRINTH het grimmig en menselijk is. Dat zijn de laatste paar boeken over Harry ook, en daarom blijft de serie interessant. De tovenaars kunnen niet alles meer met hun toverstafje oplossen, wordt steeds meer de strekking van het verhaal - anders gezegd: het gaat steeds meer om de beslissingen van de personages, niet om de magie. Ook PAN'S LABYRINTH biedt geen onbezorgd, gemakzuchtig heppie-end, waarin de held(in) het kwaad met een nobele handomdraai overwint. Een sprookje zonder vervelend 'lang en gelukkig'. Het is een sprookje dat geheel past bij de wrange historische setting van de Spaanse burgeroorlog.

Het is een goed verhaal, niet alleen om de inhoud, maar om de montage, de acteurs, de cameravoering, de special effects, de muziek (mooi!). Maar vooral om het scenario en de regie. De regisseur heeft hier een weergaloos sprookje van gemaakt. Een magisch en realistisch sprookje. Ga het zien.

PS. Dan hoor ik over een paar weken wat jullie ervan vonden, goed? Want dit is mijn laatste stukje. Nu: dank! Ik heb onverwacht veel plezier beleefd aan mijn twee gastblogweken, in het bijzonder dankzij alle zéér enthousiasmerende commenters, met wie ik me inmiddels al bijna bevriend voel, dankjulliewel Marc, Ingrid, Kees, Marieke, Bibi, Thomas, Jan Paul, en Edward natuurlijk. Dankjulliehartelijkwel, ik ga nu weer door met arcticmonkeyen. Maar ik kom terug. In welke gedaante dan ook, in die van commenter of van hernieuwd gastblogger, of van wie dan ook. Dag!

IN DE RIJ

We vlogen naar Bologna, Jan Paul en ik, en we vlogen. Oftewel: de reis ging makkelijk en snel.
Maar toen kwamen we in de rij te staan. Even buiten het vliegveld van Bologna wilde we een taxi nemen en er stonden zeker dertig mensen voor ons.

Gaf niet. Het weer is geweldig en we waren blij ER te zijn. Maar toen blonk een klein sullig puntje van ons gezamenlijk karakter plotseling in alle openheid op...
Naast ons kwam een man staan. Nee, iets vóór ons zelfs. De man was een voordringer, want er stond nog een rij van ook al dertig mensen áchter ons. En de meneer posteerde zichzelf gewoon. Dit kon niet. Dit mocht niet. Maar wat deden wij?
Niets.

Ja, we dachten na. Owhhhhh, dachten we, die meneeeeeeeeeer. Helppppp, dachten we, gaaaan we nu iets zeggennnn??? Owhhhhh, dachten we, misschien staat die meneer er om een andere reeeeedennnn? Owwhhhh, dachten we, het is niet waaaarrrrrwat we ziennnn...
En we vonden dat we nu toch echt iets moesten doen, was het niet voor onszelf dan wel voor al die anderen achter ons, maar ja we waren Hollands en we waren onszelf. En dus zeiden we:
niets.

Maar toen begon de mevrouw vóór ons te mopperen. Helder, duidelijk en streng. De voordringende meneer bleef verstijfd staan, terwijl wij allemaal opschoven.
Die mevrouw redde ons. Maar eerlijk is eerlijk, ze was Engelse. En een kreng natuurlijk. En wij?
Wij waren lief.

24 april 2007

Notities (door Alexander)

Ik word momenteel bedwelmd en betoverd en volledig in beslag genomen door LIEFDE IN TIJDEN VAN CHOLERA van Gabriel García Márquez. Het is behalve een romantisch en mooi zangerig boek ook erg grappig. Eén zin vond ik zo grappig dat ik hem in mijn notitieboekje opschreef, mijn onthoud-notitieboekje. Het was de zin die de jonge schone Fermina Daza aan haar aanbidder schrijft, in antwoord op zijn huwelijksaanzoek: ‘Het is goed, ik trouw met u als u mij belooft dat u mij geen aubergines zult laten eten.’ (Bijzonder absurde zin. Zeker omdat er in het voorgaande nergens over aubergines gesproken wordt.)

Ik draag mijn notitieboekje altijd bij me, in mijn tas, maar ik schrijf er maar heel soms dingen in op. Het notitieblokjesgedoe was me erom begonnen om dingen die ik hoorde meteen op te schrijven. Zodat ik ze onthield. Zodat ik slimmer werd. En ik bladerde ze weer eens door.

Om jullie allen vandaag een kijkje te geven in mijn ziel, in de dingen die ik graag wilde onthouden, als blogstukje een paar van die notities. (Letterlijke transcripties!)

(15/5) Eric Clapton ging na Derek & the Dominoes akoestisch, nadat z’n kind uit het raam was gevallen.

(28/7) P van Straaten-achtige situaties:
- Enorm dikke vrouw vraagt bloedserieus aan drukke ober: ‘Ik heb even een heel belangrijke vraag. Wat is de taart van de dag?’
- Klein kindje gooit rammelaar op de grond. Vrouw snauwt: ‘Zo, dat gaan we nu zeker honderdvijfentachtig keer doen.’

(20/8) Ik ben Ayaan, de dochter van Hirsi, die de zoon is van Magan, de zoon van Isse, de zoon van Guleid, die de zoon was van Ali, die de zoon was van Waiays, die de zoon was van Muhammad, van Ali, van Umar, van het geslacht Osman, de zoon van Mahamud.

(21/8) Deze zin nog ontcijferen: “In de etherische flageoletklanken die de strijkers aan de celesta- en allerlei slagwerk-geluiden paren, echoot het hier in de pauken nog wat na.”

(28/9) De hoofdstad van Oekraïne is Kiev.

(18/1) De dag van de Grote Storm. NOS-verslaggever met waaiende haren tegen honduitlatende vrouw: ‘U grijnst, maar het is ook echt gevaarlijk, hè?’

ONBEVATTELIJK

Niet zo onbevattelijk als onbevattelijke poëzie, maar toch vrij moeilijk in ons dagelijks blogleven te aanvaarden: het is al weer bijna de laatste Alexander-dag...
Nog twee bijdragen - vandaag en morgen - en dan slaat Alexander weer aan het roeien en aan het arcticmonkeyen zonder ons.
MAAR!
HIJ!
KOMT!
TERUG!
Binnenkort. Het is maar een kort afscheidje. Een baby-afscheidje.

Dus we zwaaien wel, maar nogal halfhartig.

PS. Vanaf morgen ben ik (Edw) een paar dagen in Bologna, samen met Jan Paul. Dus de weblogstukjes komen dan uit Italië.

Missionaris voor moeilijke kunst (door Alexander)

Ik vind poëzie vaak heel moeilijk. Ook dat gedicht van Al Galidi, hieronder, viel me nog niet mee. Dit overkwam me toen ik de eerste paar regels las: ‘'Niet parkeren' / op je getatoeëerd.’ Oké. Even denken. Waar staat ‘Niet parkeren’ doorgaans op getatoeëerd? Op de straat. Mooi, we kunnen verder. Volgens mij staat er in het vervolg dat het aangesproken hart bedekt wordt door ketchup en al die andere dingen. Maar ik snap niet goed wat die duiven ermee te maken hebben. Die zie je normaal gesproken wel veel op de Dam – en bovenop de Dam liggen ook vaak ketchup en mayonaise en toeristenvoetstappen uitgespreid, en het is een soort van straat. Maar dan loop ik vast en durf ik niet meer verder.

Zo gaat het volgens mij vaak, als een leek poëzie leest. Om poëzie te kunnen lezen moet je namelijk poëzie kunnen lezen. Ik vind het onzin om te zeggen dat je alleen maar hoeft te kunnen lezen, want dan krijg je zoiets als hierboven: demotiverend vastlopen. En ten tweede: je moet poëzie willen kunnen lezen.

Ikzelf ben eigenlijk een slecht voorbeeld, want ik ga als ik vastloop gewoon nog een keer lezen. Maar dat komt omdat ik best eigenwijs ben. Een minder eigenwijs iemand, zoals mijn wat minder in kunst geïnteresseerde huisgenoot Robert, die vanavond even als proefpersoon diende, had er na een aanvankelijk welwillend humeur geen zin meer in, nadat hij was vastgelopen. Ik sputterde tegen. Maar, vroeg hij me, wat moest hij er dan mooi aan vinden?

Dat kon ik niet uitleggen. En dat vond ik best erg. En ik ging er eens over nadenken.

Wat we in Nederland nodig hebben – behalve moreel leiderschap – is een missionaris voor moeilijke kunst. Iemand die met gezag en met enthousiasme kan uitleggen waarom bepaalde kunst de moeite waard is, wat eraan te genieten valt. En hoe die kunst benaderd moet worden. Hij legt uit waarom ik naar een museum voor moderne kunst moet. En wat ik daar zou moeten doen behalve rondlopen. Waarom ik klassieke muziek mooi zou moeten vinden. Waarom ik poëzie zou moeten lezen. Waarom ik me zou moeten verdiepen in dat soort ‘moeilijke’ kunst.

Ik gebruik niet voor niets het woord ‘missionaris’ en het woord ‘moeten’. Wil het werken, dan zal de missionaris iemand zijn die de Kunst als een geloof uitdraagt, die heilig overtuigd is van het levensbelang ervan en die zijn overtuiging kan uitdragen op een toegankelijke en inspirerende manier. Iemand die de zware poort naar de poëzie op een kiertje zet, zodat Robert en zijn metgezellen een glimp kunnen opvangen van het prachtigs erachter. Iemand die laat zien hoe de poort verder opengaat. Zodat iedereen dan de poort voor zichzelf wagenwijd kan openzetten.

23 april 2007

NOG EEN FOTO

Ik kreeg van Ingrid (commentster) deze foto, zelfgemaakt, om in de eerder hier gevoerde kleurendiscussie aan te geven dat er maar weinig gemist kan worden (na het sowieso alles overwinnende koolzaadgeel van Kees S. te NB.)

AL GALIDI

Ik zag op msn in het alias van een vriend van me deze zin staan: Het grootste drama is als er iets doodgaat in de mens en hijzelf verder leeft.
Het bleek een citaat van de dichter Al Galidi.

Al Galidi, omstreeks 1971 in de woestijn geboren, in Irak, en sinds 1998 in Nederland, helaas nog zonder definitieve verblijfsvergunning, publiceerde romans, verzamelde columns en 3 dichtbundels.
Naar aanleiding van die ene zin ben ik zijn poëzie gaan lezen, vooral zijn laatste bundel DE HERFST VAN ZORRO.
Zó goed.

Een gedeelte van het gedicht ZORRO NEEMT AFSCHEID VAN ZIJN HART:

'Niet parkeren'
op je getatoeëerd.
Mijn hart
als de duiven van de Dam.
Niet de vrede bedekt jou, mijn hart,
maar ketchup,
mayonaise
en schoenen van toeristen.
Nooit zul je een visum
voor het land van de liefde krijgen,
net als de duiven van de Dam.
Mijn hart,
jij zoekt in lege bierblikjes
naar jouw rivieren,
in leugenachtige toeristenhanden
zoek je zuidelijke rijstvelden.

Afgelopen zaterdag ontmoette ik de dichter, tijdens een van de avonden van de Week van de Poëzie. Zijn voordracht was zacht, melancholiek, grappig, triest en ironisch tegelijk. En degene die het Al Galidi-citaat in z'n msn-naam had staan mag binnenkort bij Al Galidi Arabische thee komen drinken (en ik mag mee!).

Op zijn website zegt Rodhan Al Galidi: 'Mijn sterke punt is dat ik niet in het woord en wat ik schrijf geloof. Mijn zwakke punt is dat ik alleen schrijf als ik niets te doen heb. Wat dat betreft geluk dat ik als asielzoeker niet mag werken, reizen of denken. Nu heb ik al meer dan acht jaar pauze en daarvoor ben ik de IND en het Ministerie van Justitie heel erg dankbaar. Ik eet graag kip en lamsvlees en heel veel fruit. Twee dingen zal ik nooit doen: haring eten en Nederlands worden.’

En nu DE HERFST VAN ZORRO genomineerd is voor de VSB Poëzieprijs hoop ik zo, zo, zo dat hij hem deze week ook krijgt.

22 april 2007

Teddyberenmachine (door Alexander)

En dan heb je ’m dus nog vijf keer geluisterd. Mooi niet dat je dan alles hebt gehoord. Ik zou op den duur waarschijnlijk wel driehonderd dingen kunnen zeggen over FAVOURITE WORST NIGHTMARE – maar daarvan heb ik er zeker honderdtweeënzeventig nog niet paraat, die dingen moet ik nog bedenken. Ze sluimeren nog in mijn hoofd, zeg maar. Ze zijn er wel, maar nog in winterslaap. Hij is nog steeds niet helemaal geland, deze cd. Dus ik ga er vier dingen over zeggen.

1. De muziek van Arctic Monkeys is gegroeid. Eerst waren ze vooral een energiek rockbandje dat echt heel leuke rocknummertjes maakte, maar na de hele cd geluisterd te hebben, had je het wel gehoord. Hun eerste cd was vooral een goed debuut – de Monkeys klonken als iets wezenlijk nieuws, maar het was wel één nieuws, één nieuwe stijl, die in al zijn genialiteit toch ook wel een beetje eentonig was. Op deze cd diepen ze die stijl uit, geven het een net iets voller, volwassener geluid, iets strakker vooral. D IS FOR DANGEROUS en BALACLAVA lijken behoorlijk op de nummers van de vorige cd, maar deze nummer zitten nét iets beter in elkaar. Ze zijn gegroeid.

2. De muziek van Arctic Monkeys op deze cd verrast. De nummers verschillen van elkaar, meer dan de nummers deden op hun vorige cd. Juist omdat de nummers niet allemaal hetzelfde zijn, duizelde de cd me zo. Elk nummer is een nieuwe openbaring. Het nummer ONLY ONES WHO KNOW is zowaar een ballad. FLUORESCENT ADOLESCENT is een nummer met een zonnebril op en dansend haar. 505 mixt alles door elkaar. Ze zijn alle twaalf goed.

3. De teksten zijn spannend. Er is dus een nummer dat FLUORESCENT ADOLESCENT heet. (Wat ik al leuk vind.) Het bevat de zin: ‘You took a left off Last Laugh Lane’. En er is een nummer dat TEDDY PICKER heet. Dat gaat over de teddyberenmachine op de kermis. (Wat ik al hoera-geniaal vind.) Die teddyberenmachines met die tangetjes die altijd misgrijpen en het beertje nét weer loslaten als je hem dacht te hebben. Ik heb de teksten nog niet aan een poëzieanalyse onderworpen, noch aan een vertaling, noch heb ik ze allemaal al van kop tot staart beluisterd. Maar met de laatste-lach-laan en de teddyberenmachine ben ik al erg gelukkig.

4. Ik krijg er maar geen genoeg van, van deze cd. En tenslotte nog een aanbeveling: veel leuker dan over deze cd lezen is hem beluisteren. (Want ik ben Hester Carvalho niet.)

JA

(Dit wordt een moralistisch, serieus stukje. Ik meen het. Ik ben gewoon maar een beetje hardop aan het denken, en ik weet nu al zeker dat ik niet zal ontkomen aan wollige zinnen of te particuliere gedachten - ook al zullen jullie er wel iets in herkennen. Maar het is dus niet een gebruikelijk blogstukje. Dus sla het over als je er geen zin in hebt.)

Ik las een recensie over het prachtigste boek dat ik de laatste jaren las: WAT IS DE WAT van Dave Eggers. Het was een heel goede recensie, en ook een heel goedgeschreven recensie, door Henk Pröpper (mijn favoriete recensent).
Over WAT IS DE WAT schreef ik al eerder een posting, en via de favoriete links, hier rechts (grappige woordspeling, onbedoeld), kunnen jullie de site van de hoofdrolspeler uit het boek bekijken: Valentino Achak Deng.

Het gaat me nu niet opnieuw om het boek, maar wel om een uitspraak van Eggers die aangehaald werd. Eggers zegt: 'I say yes. (...) I say yes because I am curious. I want to see things. (...) Saying no is so fucking boring. And if anyone wants to hurt me for that, or dismiss me for that, for saying yes, I say Oh do it (...)'

Eggers is de man van de grote boeken, de brutale plannen en van de non-conformistische JA's. Hij schreef compromisloze bestsellers, richtte non-profit schrijfscholen op en gaf 5 jaar lang bijna alles op voor het schrijven van het verhaal van Valentino Achak Deng, de Soendanese jonge vluchteling die jarenlang in opvangkampen leefde.
Maar ook WAT IS DE WAT zelf gaat over het zoeken naar ja ja ja, naar leven en overleven, naar humor en lichtheid, naar eerlijkheid en 'het beste' doen.

Wat ik dus zeggen wilde: het vermoeiende aan ons land is dat we het ons zo vaak kunnen veroorloven om nee te zeggen, om hmmmnounee te zeggen en om ach nee te zeggen. Ik bedoel: er staat niet zoveel op het spel. We leven gewoon door, het gaat goed met ons, we kunnen vrijelijk reizen, we kunnen vrij denken, we kunnen vrijelijk geld uitgeven.

Ik las van een Egyptische blogger die opkwam voor de rechten van vrouwen, die de Islam aanviel, en nu tot een paar jaar gevangenisstraf veroordeeld is. En hij is niet de eerste.

Nou ja, ik bedoel maar: ik geloof dat het onze taak is om ja te zeggen, en niet te vaak nee. Ik bedoel: om sterke, goede projecten aan te pakken, om de dingen te schrijven en aan te gaan waar we in geloven. En vooral: om niet onnodig te klagen, om zo min mogelijk negatief over anderen te zijn en om te proberen de dingen te doen die goed zijn.

Ik bedoel: om verantwoordelijk te zijn.
En doordat het allemaal redelijk goed met ons gaat, doordat we allemaal op welverdienende, welvarende eilandjes leven, doordat we allemaal haast hebben, hóeven we die keuzes niet altijd te maken.

We rijden in prachtige Renault Scénics en we hebben feilloze TomToms. Maar soms mogen de stekkertjes van de TomTom weleens los. Dan kunnen we weer wat meer om ons heen kijken. Misschien was er een omweggetje met mooier achterland. Misschien stond er een lifter die we anders hadden gemist.

(Ik weet dat dit geen helder stukje is. Ik ben op weg naar betere formuleringen. Ik hoop er door trial te komen. Ik zei het al: sla dit gerust over, of geef kritiek, of voeg er zelf iets aan toe. Tot nu toe is het veel te algemeen. Ik kom er op terug.)

21 april 2007

Ragfijn raggen (door Alexander)

Hij lijkt lawaaiig en klinkt gehaast, de nieuwe cd FAVOURITE WORST NIGHTMARE van Arctic Monkeys. De overweldigende stortvloed van geluid gaf me na de eerste luisterbeurt het gevoel dat ik het allemaal niet zo goed kon horen. Dat ik door de herrie de muziek niet meer kon horen. Alsof ik het overheersende geluid van een kettingzaag even weg moest denken. Maar dat is slim van Arctic Monkeys: dan ga je hem nog een keer luisteren. En dan blijkt het rijke herrie te zijn. Lawaai met lagen. Arctic Monkeys raggen ragfijn.

Met hun eerste album werden de vier bandleden van Arctic Monkeys vorig jaar wereldsterren, op hun twintigste. (Oh, jaloezie! Wij, The Starting Hearts, hebben net twee eigen nummers, maar we zijn dan ook starting. Maar ook grote bewondering.) Hun geluid was nieuw en onvergetelijk. Iedereen vreesde dat de tweede Monkeys-cd zou lijden aan het tweede-albumsyndroom: de torenhoge verwachtingen waren bijna onmogelijk waar te maken. Ze doen het maar mooi wel.

Eerst lijkt het dus lawaai. Ik zal er een impressie van geven aan de hand van het eerste nummer BRIANSTORM. Dat stormt meteen vanaf het intro als een kudde wilde stieren uit de boxen. Een opdringerig roffelende bas, een razendsnelle, grommende drum, en eerst een raggend-tokkelende en dan ook nog een kettingzagend snerende gitaar, en steeds op de achtergrond zó’n waanzinnig zenuwenritme, trillend en tintelend, dat je het met de vijf vingers-in-topconditie van een hand nog niet kunt meetikken, de drummer heeft waarschijnlijk een bovenmenselijk aantal armen en benen en drumstokjes. En dan begint zanger Alex Turner de energieke lettergrepen van zijn tekst als confetti over alle maten heen te strooien, in een ademloze buitelhaast, nog steeds met zijn vertrouwd knauwende Sheffieldse accent en handenvol slang-neologismen. Het is allemaal bijkans onverstaanbaar en zeker onnazingbaar, zeker voor degenen die met Rubyrubyrubyruby van de Kaiser Chiefs al knopen legden in tong en lippen. Oh, en het is wel zo leuk om van die adrenaline-lettergrepen nog woorden te maken, zodat je ook nog enigszins een idee krijgt van waarover de zanger het ongeveer heeft. Daarom moet je het dus meerdere keren luisteren, omdat je alles wilt horen. Je bent eerst een keer of twintig bezig om alles te ontleden, om naar alles te luisteren en om elke boom in het bos te onderscheiden, elk instrumentje uit de instrumentatie te benoemen. Dan zie je het genie.

Van bovenstaande alinea moet ik even bijkomen. Ik hoop dat het gevoel van overweldiging is overgekomen. Ik ga morgen verder met mijn loftuiting. Beluister ondertussen even het nummer waarover ik het heb.

20 april 2007

DRAG

Op het schilderij hiernaast staat een meisje. Althans, dat zou je toch denken. Dat dachten ook vele historici, eeuwenlang.

Het doek is van Adriaen Hanneman en het is gemaakt in 1654. Maar de vierjarige is geen meisje, maar een jongen. Een prins zelfs: Willem III.

Inderdaad, hij draagt een jurk en een wit kanten mutsje met witroze strikken. Maar de zwarte muts (bonnet) werd toen alleen maar door jongens gedragen. Een prinsje in drag dus!

Waarom hij meisjeskleren aan heeft is onbekend. Maar door de attributen is duidelijk geworden dat het hier echt om prins Willem III gaat.
Ten eerste staat hij bijna op een distel. Die distel is het teken van de familie van zijn moeder: Mary Stuart. De distel is de nationale bloem van Schotland.
Ten tweede plukt hij een sinaasappel van een sinaasappelboompje. Een oranjeappel dus. En dat heeft natuurlijk met zijn vader te maken, Willem II van Oranje.
Tenslotte draagt hij ook nog een blauw lint: dat is de belangrijkste Britse ridderorde, de Orde van de Kousenband (ja, die bestaat écht!). Kleine Willem kreeg die onderscheiding toen hij drie was.

Het hondje is er voor de speelsigheid, én als teken van trouw.

Tenslotte: uit de geschiedenis kennen we allemaal nog wel de term 'het Stadhouderloze Tijdperk'. Dit prinsje is daar de veroorzaker van. Zijn vader stierf namelijk een paar dagen voor zijn geboorte, en een baby op de troon: dat zagen de gezaghebbenden van die tijd niet zitten. Hij moest eerst goed opgevoed worden. En daarom werd o.a. dit schilderij van hem gemaakt. Zo kon het volk zien dat het goed ging met hun toekomstige stadhouder.
Ook al droeg hij meisjeskleren...

(bron: o.a. VERBORGEN VERHALEN)

StatCounter doet soms vreemd via inlog op Website en Blogger (powered by L&M)


Beste Edward,

Als je UPC-Cable Modem/Router weer hersteld/vervangen is, wil je dan testen of je nog steeds foutloos kunt inloggen op StatCounter en al zijn onderdelen van de payed-services?

We merkten de laatste tijd dat dat soms niet mogelijk was omdat we een aanpassing hebben moeten doorvoeren in het Java-script ervan in verband met ons AKH&F IT-Security-Protocol.

Nu hebben we volgens ons dit probleem prima kunnen oplossen; bij ons gaat dit nu probleemloos, maar willen dit ook nog ff extra via jouw inlog op Website en Blogger checken.

We verwachten dat dit nu bij jou ook foutloos moet gaan.

Met dank, en sorry voor de overlast, en groetjes,

L & M

19 april 2007

De reisgenoten (door Alexander)

De plannen nemen vastere vormen aan. Uit het vage verlangen is nu een echt plan aan het ontstaan waarvan de contouren langzaamaan duidelijk worden. De bestemming wordt Guatemala, we vertrekken zodra het juli is, we gaan zeker naar dat mooie Antigua van de foto – we zijn nu naarstig op zoek naar een heen-en-weer-vliegticket van minder dan duizend euro.

Ja, ik schreef ‘we’. Meervoud. Ik heb een reisgenoot gevonden. Want samen is leuker dan alleen en handiger etc. Maar ik wil het even over iets anders belangrijks hebben. Mijn reisgenoot is namelijk Anna, een oude klasgenote, een vriendin sinds de eerste klas van de middelbare school, die al een jaarlang in India geleefd en gereisd heeft en met wie ik nog altijd contact houd, ook al studeren we in verschillende steden. Mijn reisgenoot is dus een ‘zij’.

En dat komt een mens op verwonderde blikken te staan. Op allereerst verbazing. Want: niet toch, vriendje-vriendinnetje, jullie, Alex en Anna? Nee hoor. Niet hoor.

Alsof dat moet! Nee, ik heb dus geen relatie met Anna en ben niet verliefd op haar en hoop daarop heeft ook geen van ons beiden en, om het helemaal af te maken, evenmin ooit gehad: van klasgenoten werden we vrienden, zonder pijnlijke afwijzingen en onvervulde wensen. Dat kan, volgens mij. Dat kan ik, kunnen wij. Volgens mij kunnen er hechte, goede vriendschappen bestaan tussen - heteroseksuele (zó'n hardnekkig cliché) - mannen en vrouwen. Ongehinderde vriendschappen, dus zonder dat een van beiden verlangens heeft naar méér dan die vriendschap-zoals-ie-is, verlangens naar seks (en dat is inclusief zoenen, Arie).

De meeste mensen geloven mij niet en blijven verwonderd, zullen het zelfs tot na onze reis blijven. Maar ik ken ook weinig andere mensen die het kunnen, die zulke vriendschappen hebben. Gisteren kwam Anna bij mij eten en we praatten vol opwinding. Het voelde zo ongelooflijk dat we samen op reis gaan. Niet dat wij (als niet-vriendje-en-vriendinnetje) samen op reis gaan. Gewoon dat we samen op reis gaan. Wij vinden het niet wenkbrauwoptrekkend raar, wij weten beter. Jullie? Hebben jullie verhaalwaardige ervaringen?

DE NIEUWE AFHANKELIJKHEID

Ik typ dit in een internetshopje.
Mn eigen internet is kapot, verbogen, weggelopen van huis, afgestorven, onthecht. En mn telefoonaansluiting ook.
Maar UPC begon al vóór het aanhoren van mijn storingsmelding met excuses maken. En dat terwijl het niet aan hen ligt. Het modem is gewoon kapot gegaan.
En ze komen het morgen al maken.

Maar wat een afhankelijkheid! Ik dacht: al die mailtjes! En mn blog! En mn bereikbaarheid? En ik voelde me een cake waar een belangrijk plakje van afgesneden is.

Nou ja, dan weet ik ook eens hoe dat voelt. Morgen ben ik dus weer uitgebreider en met foto. Voor nu: hartelijke groet van uw gehandicapte cake.

18 april 2007

Sophie Hilbrand naakt (door Alexander)

Ik dacht eerst dat EO-mensen lieve mensen waren, die vrolijk met elkaar naar jongerendagen en de kerk gingen en wilden vertellen dat God zo belangrijk voor hen was. Maar nu zag ik EO-hunk Arie Boomsma op tv bij De wereld draait door en ik werd boos.

Hij gaat een tv-programma maken waarin hij jongeren uitdaagt om veertig dagen lang geen seks te hebben, ‘terwijl ze normaal heel veel seks hebben’. Onder seks verstaat hij ook zoenen. Waarom is dat programma nodig? Samengevat: hij wilde de liefdevolle gevoelens terug in de seks hebben. Want: ‘Seks is overal, meisjes hebben nu seks voor Breezers, het slaat nergens meer op.’ Arie legde een bedilzucht en wereldvreemdheid aan de dag die ik stuitend vond. De ergste generalisatie glipte er in een bijzinnetje in. Arie zei: ‘Een meisje is zestien en ze ziet in een garagebox veertien jongens over haar vriendin heengaan.’

Er bestaan in het hoofd van Arie Boomsma twee soorten jongeren. Een klein clubje puriteinen van de EO, die netjes alleen met hun wettige echtgenoten seks hebben. Plus de rest van Nederland, die in een subcultuur van Sodom en Gomorra leven. Dat getuigt van een respectloosheid en een interesseloosheid voor de échte Nederlandse jongeren, een griezelig meegaan in de heersende opvatting over jongeren.

Ik ken niemand die ook maar iemand kent die in die fictieve garagebox van Arie is geweest. Ik ken niemand die seks heeft gehad voor een Breezer. Die mensen bestáán, maar nee, niet alle jongeren doen aan groepsverkrachtingen. Niet iedereen googlet ‘Sophie Hilbrand naakt’ en houdt van Spuiten en slikken, en onder hen zijn ook niet-EO’ers.

Arie zou mij rekenen tot die Sodom-en-Gomorra-generatie. Maar ik ken niemand die aan dat daderprofiel voldoet. Ik ken veel mensen, maar ik ken ze niet. Ik ken alleen mensen die seks hebben omdat ze ervan genieten om zich op zo’n intieme wijze met een ander te delen. Ze hebben seks, juist omdat seks iets betekent, iets met genoeglijke, liefdevolle gevoelens. Ik ben boos, Arie, boos.

LEESJE

Zoals beloofd even een bericht over mijn goede jeugdvriend Leesje.

Op de zondagsschool zongen we een vroom liedje. De tekst luidde als volgt:
Lees je bijbel, bid elke dag, bid elke dag, bid elke dag.
Lees je bijbel, bid elke dag
als je groeien wilt.


Dat was natuurlijk als aansporing bedoeld. Maar ik vatte het op als een verhaal. Een erg kort verhaal, dat wel. Maar toch als een episode uit het leven van een jongetje dat Leesje heette. Leesje Bijbel.
En wat deed Leesje? Die bad elke dag:
Leesje Bijbel bidt elke dag.

Op zich kon het me niet zoveel schelen dat Leesje B. elke dag aan het bidden sloeg, maar het was in de context van de kerk geen onlogische bezigheid. Wat dat 'als je groeien wilt' erachter deed begreep ik nooit zo. Ik dacht dat ze bedoelden: 'als je groeien wilt moet je net zo doen als Leesje,' maar dat het liedje gewoon te snel was afgelopen om de rest van die zin er nog in te verwerken.

Ik weet natuurlijk allang wat mijn fout was. Maar nog steeds ben ik benieuwd hoe het met Leesje is.
Leesje Bijbel was beroemd, maar ik geloof dat men hem nu zo'n beetje vergeten is. Maar ik zou toch echt willen weten óf het nou gelukt is, met dat groeien. Hoe lang zou hij inmiddels zijn? 2 meter? 2 meter 14?
Of is hij in de breedte gegroeid en is Leesje nu een enorme Lees?

17 april 2007

Gefeliciteerd (door Alexander)

EDWARD WINT GOUDEN ZOEN

De Gouden Zoen 2007, de prijs voor het beste jeugdboek van het afgelopen jaar gekozen door volwassenen, is door de jury van de Zoenen toegekend aan Ons derde lichaam van Edward van de Vendel.

Uit het juryrapport: 'Ons derde lichaam is een meeslepend en voor iedereen herkenbaar verhaal over vertrouwen en twijfel, hoop en teleurstelling, maar vooral over een kwetsbare liefde en diep verlangen.'

Gefeliciteerd!

foto: ANP, Marcel Hemelrijk

OUDE WOORDEN

Er is iets grappigs aan liedjes die je uit je hoofd mee hebt leren zingen. Vooral met liedjes die je in je kindertijd hebt geleerd. Je verzint er zinnetjes bij, of je vervormt de klanken.
Maar vreemder is het nog dat je sommige voor de hand liggende zaken niet opmerkt, ook al heb je het liedje duizend keer gezongen.

Zo ontdekte ik gisteren pas iets over het liedje 'I do, I do, I do, I do, I do' van Abba.
Inderdaad, niet hun beste song.
Maar wat ik ontdekte gaat over deze zinnen:
So come on, now let's try it, I love you, can't deny it
'cos it's true
but I do, I do, I do, I do, I do


Ik had die ene 'BUT' nooit opgemerkt, en dus staat er toch iets diepzinnigers dan ik altijd dacht:
'Kom op, laten we het samen proberen, ik hou van je, dat kan ik niet ontkennen, want het is waar. MAAR ik doe het wel, wel, wel, wel, wel.'
Met dat laatste 'ik doe het wel' (I do) kan dus (door dat 'BUT') zowel bedoeld worden: 'Ik hou WEL van je,' alsook 'Ik ontken dus WEL dat ik van je hou.'
Mooi dubbel, van de tekstschrijver.

Een ander, groter niet-begrijpen trad op bij het liedje 'Malle Babbe' van Rob de Nijs. Dat zong ik jarenlang mee, ik bekte maar wat, totdat ik jaren later schaamtevol begon te begrijpen dat ik al sinds mijn achtste zong:
'Hoe vaak heb jij zo'n kop, bezopen, stom en geil, niet aan je borst gedrukt?'
Het woord 'geil' zag ik altijd als een verlenging van 'stom'. Ik dacht dat je stommengeil kon zijn - ik had geen idee wat het betekende, maar ik denk dat ik het gewoon de overtreffende trap van stom vond. Stom - stommer - stommengeil.

Ik wou dat er een filmpje bestond van mijzelf, elf, luidkeels 'stommengeil' zingend. Of misschien ben ik juist blij dat zo'n filmpje níét bestaat.

Morgen vertel ik over het jongetje Leesje.

Goedemorgenmuziek (door Alexander)

Dames en heren, jongens en meisjes, hooggeëerd publiek!

Welkom op een nieuwe dag, goedemorgen! Wrijf de slaap uit uw ogen, rek u eens goed uit, geeuw een laatste gaap en begin de dag met de zoetgevooisde klanken van Alexanders Aanraders! Allemaal gratis en voor niets, u aangeboden door uw gastblogger!

Jack Johnson - MIDDLE MAN
Om het zoetgevooisd te beginnen: een van de betere liedjes van de man die je eigenlijk nooit hoort zingen, maar uitademen. Let op de arrangeurs, die het nummer een fijn flierefluitje en donkere gitaarloopjes meegaven, en let op de zang, die verrassend boven Jacks standaardgezucht uitstijgt.

Nneka - THE UNCOMFORTABLE TRUTH
Een ingetogen, wiegend R&B-nummertje, met trompetjes die zachtjes snerpen en zangeres Nneka, die met haar stem wel verleidt maar daarvoor niet overdreven hoeft te snikken of stemkronkelen als Beyoncé, het blijft iets van een lentebriesje houden.

Gypsy Kings - HOTEL CALIFORNIA
Het hoeven natuurlijk niet allemaal goede nummers te zijn, iets raars en obscuurs mag er ook tussen, dus daarom deze cover van de old-time classic van The Eagles. Maar dan voorzien van sambaritme en vertaald in het Spaans – en ik weet ook niet precies wat ze in het Engelstalige refrein zingen.

Tilly and the Wall - SING SONGS ALONG
Deze hippiemafketels uit Nebraska hebben ten eerste een mooie gimmick: ze hebben geen drummer, maar twee danseressen die tapdansend voor het nodige slagwerk zorgen. Energiek en vrolijk samenzingend doen Tilly en haar muur aan bloemenkettingen denken.

Belle & Sebastian - LAZY LINE PAINTER JANE
Laat de langzaam opbouwende en aanzwellende symfonische arrangementen en de bijwijlen engelachtige stem van zanger Stuart Murdoch niet verhullen dat de tekst het verhaal vertelt van een buitengewoon tragisch figuur. Heerlijk paradoxale muziek.

16 april 2007

Meesterlijk correct (door Alexander)

Met mijn vader had ik dit weekend een kleine discussie over het nieuwe boek van Ian McEwan, AAN CHESIL BEACH, dat we allebei afgelopen week hadden gelezen. Ik zei iets wat enigszins leek op een mismoedige opmerking van Corine Vloet in de NRC-recensie van het boek, dat McEwan een ‘literair correcte’ schrijver zou zijn. Daar morde hij om, want dit boek was zo meesterlijk dat het ‘boven alle kritiek verheven’ was, vond mijn vader.

Ik vond AAN CHESIL BEACH ook een meesterlijk boek, dat was ik met mijn vader eens. Maar ik vond de even hoofdstukken wat minder goed.

Het verhaal gaat over de pasgetrouwde Edward en Florence, die in een hotelletje aan Chesil Beach vertoeven om daar hun huwelijksnacht door te bregen. Het is 1962 en ze zijn allebei bloednerveus, want er gaat zometeen iets gebeuren, ze gaan ‘die ontzagwekkende ervaring’ beleven. Edward is doodsbang dat met hem datgene zal gebeuren dat fluisterend ‘te vroeg arriveren’ genoemd wordt. En Florence wil eigenlijk niet dat er zometeen iets bij haar ‘binnengaat’, iets dat haar – met een misselijkmakend woord – ‘penetreert’.

Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken en speelt zich binnen één avond af. De even hoofdstukken gaan niet direct over de avond, daarin is ruimte voor de bouwblokken, om een lelijke Wouter Bos-term te gebruiken, van het verhaal. Daar geeft McEwan zijn personages een verleden, achtergrond, karakter, psychologische diepgang. Corine Vloet vond de opbouw ‘schematisch’ en dus ‘literair correct’ en daar had ze wel een punt, vond ik en dat zei ik tegen mijn vader.

‘Maar het is een klassieke roman,’ zei mijn vader. ‘McEwan beoefent het genre van de klassieke roman, op meesterlijke wijze, en dan is dát weer niet goed, dan is het zogenaamd correct, waarin een soort teleurgesteldheid doorklinkt.’ Dat vond hij onterecht. Dat ben ik met hem eens.

AAN CHESIL BEACH is wat structuur betreft dus geen vernieuwend boek, maar wel een stilistisch briljant, verteltechnisch meesterlijk afgewogen en psychologisch perfect boek. Literair correct dus, op een meesterlijke manier. En heel tragikomisch.

KOOLZAADBEWIJS

Naar aanleiding van onze discussie over 'geel' (zie de comments van een paar stukjes terug) hier het bewijs dat we de Groninger koolzaadvelden niet zouden kunnen missen! Een zeer recente foto (namelijk van eergisteren), door Kees gefotografeerd. (Dankjewel Kees!)

ZEEARENDEN!

Vanochtend keek ik langere tijd naar een zeearend. Live. Via een webcam. Het was het mannetje dat zijn zojuist geboren jong zat te voeden. Inderdaad, zojuist geboren: gisteren namelijk!

Al jaren zijn er in de winter zeearenden te zien bij de Oostvaarderplassen. Maar dat waren altijd wintergasten, een paar koppeltjes. En vorig jaar besloot één zo'n zeearend-echtpaar opeens in Nederland te broeden. Een unicum! Ze kregen één ei, en dus één jonge zeearend, en die vloog in augustus 2006 uit. Het jong is nu ook nog in Nederland en wordt af en toe gezien.
Maar het echtpaar broedt dit jaar weer opnieuw. En nu kunnen we alles zien, want er staat een webcam op hun nest.

De zeearend wordt ook wel 'vliegende deur' genoemd, ook al een prachtige benaming. En zie op bijgaande foto hoe mooi hij is.

En kijk hier naar de webcam!

15 april 2007

EN NOG EVEN IETS HONGAARS

Tenslotte,
in de reeks Eurovisie-liedjes die wél geweldig zijn, en géén maakwerk (na eerder Georgië en Duitsland voorgesteld te hebben) nu: Hongarije. Kijk hier naar het geweldige clipje en geniet van een scheurende blues van Magdi Ruzsa. 'Unsubstantial blues'.

DE MACRO-NIES

Gisteren stond ik op een bushalte in Rotterdam en opeens verstarde de stad. Niet omdat ik op de bushalte stond, maar wel omdat de man naast mij op de bushalte stond. Want hij nieste.

Maar hij nieste niet normaal, met een zacht hatsjoetje, waarna de nieser besmuikt-geschrokken een paar mooie diepe gedachtes op de bodem van zijn zakdoekje veinst te bekijken, nee, deze man nieste een macro-nies.

Waarom doen mensen dat? Waarom nemen ze een hink-stap-aanloop, waarom rekken ze met alle bastonen die ze in hun innerlijk clavicordium hebben de HAAAAAAAAAA, en waarom vloeien ze hun luide tsjoeoeoeoeoeoeoeoes dan uit alsof ze een inktpot ter grootte van West-Massachusetts hebben omgestoten?

De man was een aanstelniezer. Een zelfvergrotende niezer, dat was hij. Zijn nies was als het PVV-partijprogramma. De man nieste zoals Gordon grappen maakt. De man toonde zijn neus aan heel Rotterdam, alsof zijn neus een wijsvinger was die God zelf in zijn gezicht had gepropt.

Dat soort figuren heb je, we moeten het aanvaarden. Er zijn ook motorrijders die te hard door de straten scheuren. Maar het zijn natuurlijk wel zielige mensen. Correctie: zielige mannen. Hebben jullie ooit een vrouwelijke aanstel-niezer gezien?
En kom nu niet aan met de bewering dat het aangeboren is: een mini-niesje of een nies met maximale scoringskansen. Ik zeg: beslis. Stúúr je nies. Wees neuslijk bescheiden.

Heel Rotterdam heeft de macho-niezer gehoord en gezien. Maar wat schiet hij er mee op? Vermeldingen in webstukjes, dat is het hoogste. Maar wat weten we verder van hem? We zijn niet geïnteresseerd.
Conclusie: machoniesen is zielig. De machoniezer berooft zichzelf van welke belangstelling dan ook in zijn diepere persoonlijkheid. Sterker: door zo schabouwelijk te niezen berooft hij zich van een persoonlijkheid tout court.
Eigenlijk is het een castratie. Zelfcastratie. Achjee.

14 april 2007

De reis van Che (door Alexander)

Ik had al de hele middag op zonnige, gonzende terrassen gezeten, dus heb ik vanavond rustig de film THE MOTORCYCLE DIARIES bekeken. Want als ik de Fame aan het begin van de Kalverstraat binnenloop kom ik er altijd wel uit met een spotgoedkoop kwaliteitsdvd’tje, en vanwege mijn huidige Zuid-Amerikaobsessie viel mijn oog op deze film, over de reis die Che Guevara en zijn maat Alberto Ganado door Zuid-Amerika maakten.

Twee jongemannen besluiten aan het eind van 1951 per motor Zuid-Amerika te doorkruisen, beginnend in Argentinië en via Chili, Peru en Colombia, om te eindigen in Venezuela. Dat levert een reeks fijne, mooie plaatjes op, een prachtige verbeelding van de rijke verscheidenheid van landschappen, nu eens vlakke pampa’s, dan sneeuwhellingen, woeste bergen, woestijn en Inca-overblijfselen. Maar behalve dat fijne landschap niet zo heel veel bijzonders.

Maar het is een roadmovie over Che Guevara, dus is de reis bijzonder. De Che die later zou deelnemen aan tijdens de socialistische revolutie op Cuba zien we hier ontstaan, als hij op zijn reis uitgebuite mijnwerkers ontmoet, en mensen die de (niet besmettelijke) handen van leprapatiënten niet durven schudden.

Het dreigt daardoor een iets te politieke film te worden, te eenzijdig boodschap-van-Che-predikend. Che (overigens geweldig vertolkt door de sowieso geweldige Gael García Bernal) verklaart namelijk op een gegeven moment dat hij wel socialist móest worden, na wat hij gezien had: een continent met uiteenlopende aanblikken, maar overal identieke mensen, die lijden onder het oprukkende kapitalisme. Alsof de film wil zeggen: 'Che kon niet anders want hij zag dat allemaal, en u nu ook, dus u weet nu dat hij het goed zag en dat hij ontzettend gelijk had!'

In de slotscènes relativeert de regisseur dat en daarmee behoudt de film op het nippertje zijn kunstzinnigheid, zijn vatbaarheid voor meerdere interpretaties. Want vriend Alberto zag hetzelfde en maakte hetzelfde mee, maar werd helemaal niet politiek actief. Dat maakt de reis (lees ook: de film) vooral een interpretatie van wat Che zag in Zuid-Amerika. Daarmee is THE MOTORCYCLE DIARIES een heel onnadrukkelijke, maar des te sterkere biopic.

BRUIN, ROZE

Gisteren tijdens een uit-eten-gaan in Rotterdam legden mijn disgenoten me een dilemma voor. Een hypothetisch dilemma.
Ze vroegen me of ik een kleur wilde inleveren.

Ik zou dan nooit meer de kleur x kunnen zien. Maar ik kreeg er geld voor in de plaats. Veel geld. Waarmee ik aardige, leuke, nobele dingen zou kunnen doen.

Hen was zelf dat dilemma ook voorgelegd. Zij hadden wél en niet gezegd dat ze het zouden doen (de een wel, de ander niet), maar beide hadden de kleur roze gekozen om in te leveren. Wonderbaarlijke keuze. Volgens mij zouden dan heel wat biggetjes, maar vooral ook heel wat mensen hun huidskleur verliezen.
Want, het dilemma werd nog even aangescherpt: in plaats van roze zou je dan zwart zien. Niet een bepaalde grijstint of zo.

Ja, kijk, dan wordt het anders. Zwarte biggetjes. Nou ja, die bestaan. Zwarte medemensen, die bestaan gelukkig óók. Je zou zeggen dat het niet zoveel verschil zou maken (misschien dat als de racisten in de wereld 'verkleurd' werden, het racisme zou ophouden?).

De reden van de een om te weigeren was: dan zullen mensen je als een freak zien. Je wordt dag aan dag herinnerd aan je duivelskeuze. Dat geld gaat je in de weg zitten.

Ik vraag me dat af. Los van het feit dat je nieuwe handicap dus een soort kleurenblindheid is (en daar leven wel meer mensen zeer gelukkig mee), hoeft die verkleuring verder niet door de buitenwacht opgemerkt te worden.

Goed, dit wordt te technisch.

Een antwoord is niet te geven op dit vreemde dilemma. Stel dat je niet roze zou verliezen, maar oranje? Of donkerbruin? Die laatste optie vind ik al logischer, donkerbruin zit toch al in de buurt van zwart.

Opvallend was wel dat we ándere kleuren, zoals blauw, rood en geel totaal niet noemden. Blijkbaar bestaat er een kleurenhiërarchie, en is de vraag die alle kinderen aan kinderboekschrijvers na een lezing stellen: 'Wat is uw lievelingskleur?' helemaal zo'n vreemde niet.

PS1:
Vroeger noemden wij roze: 'raaaaaze'.

PS2:
Eh... (twijfel slaat toe)... is dit een waardig blogstukje?

13 april 2007

Prinsessennaam (door Alexander)

Om het weekend tragikomisch te beginnen een aan een ander weblog ontleend stukje over ons nieuwe prinsesje. Over haar naam. Ze heet Ariane Wilhelmina Máxima Ines. (Ieuw.)

Na de prinsessen Amalia en Alexia nu dus weer een prinsessennaam met een A. ‘Om de triple A-rating vol te maken,’ grapte de kroonprins vrijdag tegenover de verzamelde pers. En dát had hij beter niet kunnen zeggen. Want de term Triple A heeft, zogezegd, bloed aan zijn handen. Erg plakkerig bloed.

Triple A was in de volksmond de naam van de Alianza Anticomunista Argentina, de extreemrechtse gewapende groepering die in de jaren zeventig met harde hand afrekende met de linkse politieke tegenstanders. Onder de schrikbewinden van Isabel Perón en Jorge Videla vergoot Triple A oppositiebloed, op een Sturmabteilung-achtige manier.

Om nou in het openbaar grapjes te maken met een term die eenvoudig gelinkt wordt aan het weinig verheffende verleden van de vader van prinses Máxima – Jorge Zorreguieta hoorde enige tijd tot de foute regering van Videla – tsja, dat is toch misschien wel een beetje dom.

Weinig bestemming (door Alexander)

Ik heb een plan. De vastbesloten gedachte eraan voelt als een verliefdheid en een koorts tegelijk, mijn hoofd tintelt en mijn buik golft en de haartjes op mijn armen gaan ervan overeind staan, een opwindende warmte trekt door mijn lichaam. Dat is niet overdreven. Zo graag wil ik het uitvoeren, het plan.

Ik wil op reis. En ik ga op reis. Ik wil deze zomer minstens een maandlang op reis naar Latijns Amerika. Ik wil een ticket boeken en met een backpack in een vliegtuig stappen en dan weg, met weinig bestemming. En dan rondtrekken in bijvoorbeeld Guatemala (ik ben verliefd geworden op deze foto's). Ik wil op plaatsen terechtkomen waar ze misschien niet zo veel toiletpapier hebben. En vooral geen dringend internet of e-mail of telefoon.

Waarom vertel ik dit jullie? Omdat ik eigenlijk nergens anders aan kan denken, momenteel. Maar ook omdat ik een trend vermoed, een symptoom voel. Ik ben lang niet het enige hedendaagse jongmens dat een grote reis wil maken. Van mijn (veelal welgestelde) eindexamenklasgenoten ging minstens de helft voor een paar maanden of langer naar het buitenland, voordat ze gingen studeren.

Ik hoefde nooit zo nodig. Maar nu wel. Het heeft niet eens veel te maken met het cliché van volwassenworden en ‘jezelf tegenkomen’ en zelfstandig willen zijn. Dat heb ik op kamers in Amsterdam al geleerd. Het gaat erom even af te zijn van de overdosis impulsen die ik in mijn leven in Amsterdam opvang – ik wil en moet dit en dat en zus en zo en méér en dóór, ik wil alles zien en doen en voortdurend met iedereen in contact staan. En en en. Zo leef ik, zo leeft mijn generatie. We kennen en kunnen niet anders.

Aan de ene kant ben ik verslaafd aan al die prikkels, al dat leuks en fijns en spannends, maar aan de andere kant hol ik soms achter mezelf aan, ik hoor mezelf soms wensen dat de dagen twee keer zo lang zouden duren. Daar wil ik deze zomer even vanaf.

(wordt nog vervolgd)


Foto's: Hans Hendriksen, www.hanshendriksen.net (Dat zeg ik er even bij omdat hij echt prachtige foto's op zijn website heeft staan.)

12 april 2007

MOREEL LEIDERSCHAP (2)

Een tijdje geleden blogte ik over het gebrek aan moreel leiderschap dat we deze jaren lijken te ervaren.
Toch nog wat aantekeningen.

1.
Eerste kamerlid Van Thijn zei in een artikeltje in NRC het volgende: Balkenende was op het moment dat twee leden van het kabinet verdacht gemaakt werden, als moreel leider in geen velden of wegen te bekennen. Over zijn eigen PvdA zegt hij: Er is de afgelopen weken gezwalkt. Toen de berichten over Arib kwamen, stelde fractievoorzitter Tichelaar een onderzoek naar haar in en liet haar een paar dagen bungelen, in plaats van het bieden van weerwoord aan Wilders. En: Je ziet alle partijen schipperen. We leven in een spindoctorsdemocratie, waar politici bang zijn om tegen de stroom in voor hun eigen mening te staan.
Zelf noemde Van Thijn de aanvallen van Wilders 'vergelijkbaar met de hoogtijdagen van het anti-semitisme'. In het artikel legt hij verder uit waaróm hij dat zo zegt.
(dank aan Thomas voor het sturen van het bericht).


2.
Wat ik me afvroeg: is er voor de zo gemiste moreel leiders wel een platform? Zijn er niet teveel media en teveel stemmen tegelijk, waardoor we het zicht sowieso kwijtraken?
Misschien wel. Toen er nog maar drie zenders waren op de televisie werd er toch op een andere manier naar bijvoorbeeld Den Uyl of Wiegel geluisterd.
Aan de andere kant: Marijnissen. Als er nou iemand het charisma van een moreel leider heeft, dan is hij het wel. Maar ja, hij zegt iets onvergelijkbaar doms in De Telegraaf ('als de staatssecretarissen hun tweede paspoort inleveren zou dat een 'dikke plus' zijn'). Daar is hij flink op aangevallen, en terecht, want een man van zijn statuur zou toch moeten weten hoe zo'n zin, uit zijn mond, een tijd NA de debatten, groot nieuws is - zéker voor De Telegraaf (dezelfde "onafhankelijke krant" die vorige week in grote zwarte letters op de voorpagina schreeuwde: 'PEPERDUUR PARDON' en dat het kabinet zich vergist had in de kosten van het Generaal Pardon. 'Peperduur' lijkt me nou niet echt een "onafhankelijk, objectief" woord).
Goed, terug naar Marijnissen. Hij heeft zich erg ingespannen om zijn uitglijder te nuanceren. Maar het feit dat hij uitgleed blijft overeind. En dat dat uitglijden over de rug van personen gebeurde, óók.
Dus ook Marijnissen is misschien niet de moreel leider waar we op zouden hopen, ook al weet hij dus wél het platform te vinden om morele uitspraken te doen.

3.
Hoe moeten partijen nu eigenlijk met Wilders en zijn insinuerende kamervragen en uitspraken omgaan?
Door erop in te gaan. Ook de PVV is een democartische partij, ook de PVV is, hoe verblind ook, bezorgd om ons land. En dus mag er niet om de PVV heen gelopen worden. Dus moet er goed, genuanceerd, geluisterd worden naar wat ze te zeggen heeft, en dus moet er inhoudelijk gereageerd worden. Niet op de man spelend, maar wel moreel duidelijk. De PVV en de problemen waar zij de aandacht op vestigt als onnuttig en vermoeiend van de hand wijzen, is het domste wat een moreel leider zou kunnen doen.
En het is van groot belang dat hetzelfde taalregister wordt gezocht. Dat dezelfde helderheid als die van Wilders wordt gebezigd. Maar dan genuanceerd. Dat kán. Het vergt moed, en kennis van de indruk die taal achterlaat.

4.
Het begint volgens mij ook bij een herbevestiging van de waardigheid van onze ministers en staatssecretarissen. Geen privéfoto's tonen, geen deelname aan spelletjes, geen grapjes met rapjes, en zeker niet na je carrière meedoen aan So you wanna be a popstar.
Minister Rouvoet die zich liever geen 'je' meer genoemd wil laten worden: ik begrijp het. Het ambt van minister is niet zo maar een ambt. In tijden van crisis hebben we niks aan bewindslieden waar we een beetje om moeten grinniken, omdat ze zo op de gekke buurman van drie huizen verderop lijken.

5.
Tot slot Van Thijn nog eens: Wilders zoekt de provocatie op, lijkt niets liever te willen dan aangevallen te worden. Dan behoud ik mij het recht voor te reageren.
En:
In Europa is de definitie van racisme geluidloos verschoven. In mijn ogen is die definitie altijd hetzelfde gebleven: het stigmatiseren van leden van een bepaalde groep enkel om het feit dat zij deel uitmaken van die groep.

11 april 2007

Hester Carvalho (door Alexander)

Dit stukje is een ode aan Hester Carvalho. Maar de dame op dit plaatje is niet Hester Carvalho. Dat is Regina Spektor, een internationaal bekende zangeres. Regina is iets bekender dan Hester. Maar voor mij zijn ze even grote sterren.

Muziek laat zich niet zo gemakkelijk omschrijven. Als ik van vrienden tips krijg voor gave nieuwe bandjes, wil ik wel graag even weten hoe het dan ongeveer klinkt. Zij zoeken hun toevlucht in vergelijkingen met andere bands. Het is een beetje Arctic Monkeys-achtig, of een kruising tussen, nou, Red Hot Chili Peppers en Coldplay. Dan weet ik dus nóg niks. Hester Carvalho is popjournaliste voor NRC Handelsblad en zij doet het anders. Zij omschrijft muziek met kloppende beeldspraak en onverwachte associaties. Zij schrijft op wat ze hoort, onbevangen en echt. Als ze een geluid als een fietsbel denkt te horen, zal ze het zeker opschrijven.

Zo omschreef ze Cansei de Ser Sexy, een Braziliaanse band die ik gisteren in Paradiso zag, eens als ‘melodieuze rammelpunk en knorrende electronica’. En rammelen en knorren doet het, luister maar. Over Loney, Dear ronkte ze: ‘Met subtiele gitaar-twinkel en een warmbloedige stroom aan orgel-achtige klanken tovert hij zijn liedjes om in eenpersoons popsymfonieën.’ Luister hier naar die warmbloedige stroom vol orgel en getwinkel.

Zo hóór ik de muziek al bijna. Zó moet een popjournalist schrijven. Zó prikkelt ze mij om naar artiesten te gaan luisteren van wie ik nooit eerder hoorde. Zoals Regina Spektor. Hester beschreef haar stem en al voordat ik een noot muziek had gehoord, hield ik van Regina. ‘Ze heeft een weelderige stem, die kroelt als een kat en lui fleemt als een nachtclub-zangeres.’ En het klopte met de muziek. Luister maar, hieronder. Dank je, Hester, je bent mijn lievelingspopjournalist.


PS. Eigenlijk laat deze muziek zich niet in een zin omschrijven, vind ik, hoe Hester Carvalho je ook bent. Wie van de hier aanwezige bloglezers bezit het observatievermogen om álles aan haar stem en muziek te omschrijven? De mooiste inzending wordt beloond met de Hester Carvalho-trofee.

Brullen (extraatje, door Kees)

Naar aanleiding van het stukje hiervóór (GEWEI) schreef Kees deze reactie. Hij is te mooi om niet apart te posten. Hoop dat het mag van Kees (gastblogger van het eerste uur, tenslotte)...

Sinds – volgens mij – kort wordt op mijn geboorte-eiland Terschelling eenmaal per jaar een brulwedstrijd gehouden. Het fijne weet ik er niet van: - ik baseer mij op berichtgeving in het weekblad ‘de Terschellinger’, een mijner lijfbladen.
De wedstrijd vindt plaats in een café, er is een jury en het gaat niet alleen om hard, maar ook om origineel brullen. Wat dat laatste is, weet ik niet.
In ‘de Terschellinger’ lees ik dat Sipke Bakker dit jaar, net als in 2006, het best brulde.

Ik herinner me hem goed. In de zesde klas zat hij, aan de overkant van het pad, rechts van mij. Zoon van een keuterboer. Mager, van niet één sportvereniging lid. Lange, dunne, ongecoördineerd zwiepende ledematen. Blond, moedergeknipt haar, - op zijn 11de een gerimpeld appel-gezichtje. Aapje, veel te vroeg oud. Vanwaar kwamen in hemelsnaam zijn vormloze donkerbroeken? Moedergebreide zwartwitte truien, ’s zomers vaders overhemden. Gevoel voor humor, beslist, maar geen schijn van kans op een vriendin. In de voorbije 40 jaar in niet één Terschellinger – laat staan níet-Terschellinger – kroeg gesignaleerd. Tenzij er moest worden gebruld: - dan was hij er, kennelijk. En, potverdomme, hij won.

Ik herinner me Sipke en zijn vader, Rel, en de boerderij waar zij woonden met Rels vrouw –
die ik volgens mij nooit heb gezien – en Sipkes broer. Ik heb een enkele keer met Sipke gespeeld. Ik gun hem zijn overwinning uit alle macht.

10 april 2007

GEWEI

Zondag ging ik met de trein. Buiten het station in Rotterdam stonden vier paarden, met mannen en vrouwen erop in blauwe pakken, en een doorzichtig schild. Politie. Een prachtig gezicht overigens: politie te paard.

Binnen werd er een beetje gezongen. Maar ik had nog niets in de gaten. Tot ik naar het perron wilde lopen. Onmogelijk! Er stond een cordon spoorwegpolitie met helmen en alweer doorzichtige schilden. Niemand mocht doorlopen.
Men wilde twee groepen supporters scheiden. Groningers (BOEREN! BOEREN! BOEREN! riepen ze, ik dacht dat dat alleen voor FC De Graafschap werd gebruikt), en Feyenoorders een eindje verderop in de tunnel.

Het gevolg was dat wij, alle mensen die naar hun perrons moesten (argelozen, onschuldigen, kortom, dat wat we BURGERS noemen. Of wat ik laatst in een krant las: CIVIELE BURGERS) midden tussen de voetbalsupporters terechtkwamen.

Het was redelijk gemoedelijk, hoor, al liep een enkel ouder meneertje vuistenballend naar de spoorwegpolitie. Maar het interessantst was die enorme samengebalde oerschreeuw die er uit de voetbalsupporters kwam.

Nog niet zo lang geleden heb ik met Jan Paul samen al eens in een metro gestaan tussen Ajaxsupporters (die tegen FC Kopenhagen speelden en in eigen doel schoten en jammerlijk verloren), en ook toen toeterde het in onze oren.

Er vindt dan meteen een tijdverschuiving plaats. Opeens zijn we in de prehistorie. Ik bedoel: niet dat ik die supporters onderschat, in het dagelijks leven hebben ze allemaal gewone banen, en ze lezen 's avonds hun kinderen voor, maar dat enorme gebrul! Oermannelijkheid. Een soort geëxpandeerde bastoon is het, een zware laag onder het dagelijkse leven, een stuk beton dat recht uit al die kelen steekt.
Dat moet iets testosteronnerigs met al die mannen en jongens doen. Het moet eigenlijk 'lekker' zijn, om zo te brullen. Rebirthing is het, denk ik, maar dan elke zondag, en allemaal samen. Het is het vieren van de mannelijkheid, iets dat normaal gesproken niet meer zo getolereerd wordt.
Het is het overeind zetten van een groot gezamenlijk gewei.
Een coming out, dat is het. Een enorme coming out.

Bosvruchtjes (door Alexander)

De vrouw voor mij in de rij had net afgerekend en ik was aan de beurt. Ik legde mijn brood, zak pasta en nog wat boodschappen op de band en presenteerde mijn bonuskaart aan het meisje achter de kassa. Op het toonbankje lagen nu twee bonuskaarten. Hé. Van de mevrouw voor me, bedacht ik. Ik schoot haar aan. Ze reageerde niet, dus ik zei wat harder: ‘Mevrouw, uw bonuskaart!’

En toen liep ik een fortuin mis. Een klein, tenger vrouwtje draaide zich om en door haar ronde bril keek ze me doordringend aan. Ze aanschouwde me. De manier waarop ze omhoog tuurde deed denken aan de wereldvreemde, schele blik van zweefteef-professor Trelawney uit de Harry Potter-films. Er viel een kwartje. Behoedzaam omklemde ze haar bonuskaart met haar linkerhand. ‘Dank. Je. Wel,’ zei ze geprononceerd en ze draaide zich weer om. In de ‘wel’ hoorde ik een Limburgse tongval. Het was Connie Palmen.

In een flits drong mij het besef van het verloren fortuin tot me door. Ik had de bonuskaart van Connie Palmen aan haar teruggegeven. Ik had hem achterover kunnen drukken. Dan had ik er over vijftig jaar mee naar het Letterkundig Museum kunnen gaan, om hem voor grof geld te verkopen aan de afdeling Connies Curiositeiten, voor in de vitrine naast de luciferdoosjes.

In blinde paniek zocht ik wraak. Ik keek tussen de boodschappen of er iets compromitterends bij lag. Zodat ik dat ooit kon openbaren en er een rel zou ontstaan. Ik zou er een boek over schrijven waarvan men zou zeggen dat ik er karaktermoord mee pleeg. Ze had onder andere bosvruchtjes gekocht en ze deed net aardbeitjes in haar tas. De bosvruchtjes waren in de bonus geweest, herinnerde ik me. Terwijl ik mijn boodschappen afrekende trippelde Connie Palmen naar buiten.