12 mei 2007

SONGFESTIVAL (3)

Goed, het festival heeft problemen, dat is duidelijk.
Als er zoveel ontevredenheid is zal er toch wel iets scheef zitten.

Dat er nu vrijwel alleen maar Oost-Europese landen naar de finale van vanavond door zijn gegaan, heeft niet alleen maar te maken met hun hogere kwaliteit.
Het is wél zo dat de meeste van de geplaatste liedjes sterker en origineler waren dan andere liedjes (Servië, bv, kandidaat voor de winst, Hongarije, Georgië en Bulgarije),
maar door buurstemmen hebben geïsoleerdere landen als Israël, België, Andorra, Portugal en Nederland beduidend minder kansen.

Wat is de oplossing?
Er zijn de laatste dagen een paar ideeën geopperd.

Over twee jaar zijn er TWEE halve finales, dat is al besloten. Dan gaan de eerste tien van elke halve finale door naar de finale. Dat zal al een béétje verschil uitmaken. Twee keer zoveel kans dus om door naar de finale te gaan.
Eerst werd er gezegd dat die halve finales in regio's opgesplitst zouden worden, dus één met Oostlanden, en één met Westlanden. Maar dat lijkt nu weer niet de bedoeling van het festival- het moet geen Oost-West-wedstrijd worden.

Maar misschien moet de oplossing vooral gezocht worden in het herinvoeren van vakjury's. Dan is er ook wel buurstemming, maar veel minder. Televoting kan niet overboord (alleen financieel al niet), maar een combi van vakjury/televoting zou al helpen.

Een verkleining van het festival? Minder landen. Nu al is bekend dat landen als Libanon, Palestina en Azerbeidzjan mee willen gaan doen. Lijkt me jammer als dat verhinderd wordt. De Grote Europese Gedachte die het festival zou kunnen uitstralen moet toch wel gewaarborgd blijven.

Nee, de invoering van meerdere halve finales, en een ander punten-toeken-systeem, dat zou al heel wat zijn.

Gelukkig heeft het hoofd van de Nederlandse delegatie nuchter gereageerd. 'We blijven meedoen,' zegt hij, 'en we maken ons hard voor het oplossingsgericht bespreken van de problemen.'
En Edsilia zegt dat haar deelname iets is wat ze niet heeft willen missen.

En verder: vanavond krijgen we Duitsland (leuk), Hongarije (goed), Oekraïne (geschift), Spanje (gelikt), Engeland (dieptriest), Zweden (sterk), Bosnië (intiem), Georgië (vernieuwend), Bulgarije (modern), Roemenië (jolig) en Servië (winnares, hopelijk.)
Mocht MOLITBA van Servië winnen, dan zal waarschijnlijk iedereen het eens zijn over in élk geval een terechte zege.
We zullen zien.
En daarna verhit gaan discussiëren.

11 mei 2007

Geurtjes (door Frank)

Rugby kun je ruiken. Rugby is een combinatie van natte handdoek, zweet, gras en modder. En dat heeft dan allemaal net iets te lang in een dichte sporttas gezeten. Voetballers of hockeyers zullen die geur herkennen. Net zoals er in de gangen naar kleedkamers vaak een walm van tijgerbalsem hangt. Die begint zo’n vijf minuten voor de spelers de kleedkamer uit komen en verspreidt zich langzaam en steeds dunner door het gebouw.

Een enkele keer gaat er na de vakantie een tas open en komen de ongewassen kleren van maanden terug de eigenaar tegemoet. Dat zijn mooie vervelende momenten. Die kleren worden altijd gewoon aangetrokken, want je hebt nou eenmaal niks anders bij je. Naar is ook als je een sportbroekje aan moet van een week eerder toen het zo regende tijdens de wedstrijd en het hele veld modderig werd.
Soms zien teams er al prachtig uit voor de aftrap.


Over modder gesproken. Een modderfoto is uitgeroepen tot beste rugbyfoto van het jaar. Hij heet ‘Mud, glorious mud.’ en is genomen door Morgan Treacy.

Maar terug naar de luchtjes.

Als ik van huis ging om naar de middelbare school te fietsen merkte ik meestal niks. De lucht was gewoon de lucht en viel niet op. Maar een enkele keer stond de wind goed en dan waren er twee geuren mogelijk. De ene was die van suikerbiscuitjes. Ik heb nog steeds geen idee waar die vandaan komt, maar soms ruikt het in Nieuwegein overduidelijk naar suikerbiscuitjes.
En er was de Put van Weber. Een recreatieplas net aan de andere kant van de snelweg, bij Ijselstein. Ooit was het een vuilstort waar ze onder andere ziekenhuisafval achterlieten. Later is daar zand en water overheen gegooid en kon je er zwemmen. Je moest drie keer je zwembroek wassen om de geur van het water eruit te krijgen, maar wisten wij veel.
Inmiddels is het water afgekeurd. Terecht waarschijnlijk. Bij verkeerde wind was er rotte-eierensmog als ik naar school ging.

Of bij mijn vorige huis. Als ik weg was geweest en te laat op Utrecht Centraal terug kwam gingen er geen bussen meer en dan moest ik soms lopen. Dat was drie kwartier en zo laat in de nacht is de lucht lekker koud en fris. Het grootste deel van de route ging langs het water, maar als ik laat genoeg was nam ik een omweg. Dan werd er al gewerkt in de bakkerij en meestal stonden dan de deuren open. Ik was er tien minuten langer voor onderweg, maar dat was het helemaal waard.

SONGFESTIVAL (2)

Goed dan - Nederland staat niet in de finale, en allerlei Oost-Europese landen wel en het is allemaal nooitniksniet brm brm mopper gngsrsggg.
Haha,
ach,
shut toch up.

Want.
Waarom is dat songfestival nou leuk?
Nee - waarom vind ik het leuk?

Omdat het songfestival tegemoetkomt aan een Encyclopedisch Verlangen.

Het begon op mijn elfde. Ik ben altijd gefascineerd geweest door lijstjes. En door de mogelijke compleetheid van lijstjes. Een lijstje kan altijd langer, maar je hebt het idéé dat er een einde aan het lijstje komt, en dat jij dat kunt bereiken.
Voorbeeld: ik maakte vroeger lijstjes van amateurvoetbalclubs. Die schreef ik over uit blaadjes en uit de krant. Ik vond het een machtig idee om al die namen 'in mijn bezit' te hebben, om de chaos als het ware bedwongen te hebben, om zélf een encyclopdische kennis omtrent de namen van alle Nederlandse amateurvoetbalclubs te bezitten. Maar tóch was het het leukst als er namen opdoken die ik nog niet kende. Het Encyclopedisch Verlangen is leuker dan de Encyclopedische Voltooiing.

Zo ook met het songfestival. In 1975 wist ik ervan, maar ik mocht nog niet kijken. Mijn moeder schreef voor mij de einduitslag op. Om de een of andere reden kreeg ik dat lijstje de ochtend erna al in de badkamer te zien. Ik weet nog precies hoe magisch ik dat vond: mijn moeders handschrift (ze heeft een heel mooi handschrift) met al die landen en de punten erbij. Groot was mijn gelukzalige ontzetting toen ik ook nog eens las dat het land met de meeste punten... Nederland was!

Maar vanaf toen was ik gegrepen. Het feit dat er Allerlei Landen waren die elk hun MOOISTE liedje hadden gezocht uit een interne competitie, en dat al die landen samenkwamen om het MOOISTE lied van Europa te vinden... Europa was een toverballenwoord voor mij, overal doken onverwachte kleuren op.
En dan die talen... Ik leerde alle titels uit mijn hoofd, en het was alsof ik op stelten liep - ik stond plotseling een paar treden hoger in de wereld, ik kon vreemde verschieten overzien!
Anna rakaudelle tilaisuus (Fins, geen idee wat het betekent, maar ik weet het dus nóg..)
Dönme Dolap (Turks)
Jeg taenker alltid på deg (Deens)
Non so che darei (Italiaans)...

En dan had élk van die landen ook nog eens een voorronde gehad, waarin nóg meer verschieten, nóg meer talen, nóg meer vreemde artiestennamen..

En bovendien was de kennis binnen handbereik. Ik kon in vreemde blaadjes en publicaties langzaam méér te weten komen. En: álles te weten komen. Want het songfestival bestond nog maar sinds 1956, dus de Encyclopedische Kennis was te vergaren - al breidde het zich elk jaar weer uit, en al was het verleden in teveel mist gehuld. Ik droomde van cassettebandjes waar Alle Liedjes op stonden.
Fantastisch dus. De vervulling van een Encyclopedisch Verlangen, en daarbij was het songfestival ook nog eens een Uitdijend Heelal!

Nú vind ik het songfestival nog wel leuk, maar dat is meer een echo van de fascinatie van vroeger. Eén ding is gebleven: dat ik het minst leuke van het festival... de puntentelling vind. Echt waar. Wie wint of verliest kan me niet zoveel schelen, en al die opwinding en teleurstelling daaromheen vind ik eerder onrustig dan leuk. Al had ik het toch wel leuk gevonden als Edsilia in de finale was gekomen. Omdat Edsilia me zo'n bijzonder iemand lijkt. En omdat er dan een hoop minder het is allemaal nooitniksniet brm brm mopper gngsrsggg zou hebben geklonken.

FRANK... NEE NEE NEEN NOG NIET!

Ja, het is waar, het is hard en onomstotelijk waar: ook deze gastblogtermijn loopt ten einde. We hebben er één extra dagje (morgen) uit weten te knijpen, maar twee weken zijn twee weken en dus zullen we het voortaan weer zonder haka-specialist Frank moeten doen.

Frank, ik/we/iedereen/heel Nederland en Vlaanderen heeft genoten van je verhalen en je observaties. We zijn in elk geval zeer gelukkig dat jij gelukkig bent met je nieuwe liefde, ook al kent ze geen l. Of geen l, het is maar hoe je het bekijkt.

Dank je wel voor alle stukjes, en tot snel weer op het blog, verlaat onze commentruimte niet, en veel plezier en succes met alles wat je doet...

Traandoorlopen groeten!

10 mei 2007

bursitis infra patellaris oftewel … (door Frank)


Gisteravond heb ik voor het eerst in twee maanden weer echt getraind. Het was al lang aan het borrelen vanbinnen, maar ik mocht nog niet van mezelf. Eerst moest ik mijn kuur afmaken en rust houden. Ik had een bursitis infra patellaris. Daar was ik best trots op tot ik hoorde wat het was: een slijmbeursontsteking bij mijn knieschijf. Het zwelt en het kan pijn doen.
Zo’n bursitis infra patellaris – nu ik die term ken zal ik hem gebruiken ook – komt vooral voor bij mensen die veel tijd op hun knieen doorbrengen en heeft twee bijnamen: nonnenknie of dienstertjesknie. Daar sta je dan met al je rugbyverhalen. Heb je nonnenknieen.

Eerder al scheurde ik in allebei mijn pinken de peesjes die bovenlangs lopen. Het peesje aan de onderkant kan dan vrij trekken en je vingertopje blijft onder een hoek staan. Het klinkt heel naar, maar het doet geen pijn en je mag zes weken met je vinger in een heel interessant kokertje lopen. Dat noemen ze malletvingers, vernoemd naar de mallet: een hele grote hamer.

De blessures zijn natuurlijk naar, maar die namen! Ik kende altijd alleen de tenniselleboog en de muisarm. En dat klinkt niet erg bijzonder. Ik zal het er niet om doen, maar het zou een mooie reden zijn om meer blessures op te lopen. Er moeten nog veel meer van die gekke namen zijn. Wie kent er nog mooie aandoeningen?

Intussen zit ik hier met een pak ijs op mijn kniehard te hopen dat het snel herstelt. Want het voelde wel weer erg fijn gister.

SONGFESTIVAL (1)

Vanavond de halve finale van het songfestival, met o.a. Edsilia Rombley voor Nederland.
Vanochtend een prachtig stuk van Cornald Maas in de Volkskrant. De kop van het stuk luidde: WILDERS OP HET SONGFESTIVAL.
Dit was de tendens:
de laatste jaren scoort Nederland slecht. Daags na het festival horen we een muur van geklaag, en vaak gaat het dan zo van: die Oosteuropese landen hebben het songfestival gestolen, die Oosteuropese landen geven elkaar allemaal punten, we moeten maar ophouden, het is allemaal nooitniksniet brm brm mopper gngsrsggg.

Maar dan legt Cornald uit dat
a) het feitelijk niet waar is dat de winnaars van de laatste jaren allemaal uit Oost-Europa kwamen
b) het feitelijk niet waar is dat die landen hoog gekomen zijn door slechts de buur-stemmen
c) de liedjes en artiesten uit Oost-Europa (en andere nieuwe Eurovisie-landen) veelal ook beter zijn.

In de nieuwe Eurovisielanden wordt het festival modern en belangrijk geacht. Van de typische 'ouderwetse Eurovisie-liedjes' is daar dan ook geen sprake meer. Immers, Georgië komt vanavond met een Björk-achtig lied, Servië balladeert, er is hardrock uit Tsjechië, punkrock uit Andorra, er is alternatieve computer-disco uit Bulgarije, soul uit België, operette uit Letland en vette blues uit Hongarije.
Een van de weinige landen dat nog wél met een Echt EuroVisie Deuntje komt is... Nederland.
In ons land wagen producers en bekende artiesten zich niet meer aan het festival, terwijl in de Oost-Europese landen de bekendste en beste artiesten naar voren geschoven worden.

En toch blijven we zeuren. Cornald ontwaart hier anti-vreemdelingen-elementen. Taal die de PVV niet zou weerstaan. En hij heeft gelijk. Terwijl het festival aan het verjongen en verbeteren is, blijft Nederland mokkend achter. Telegraaf-achtig mokkend.
Tenzij Edsilia in haar mooie oranje jurk het vanavond wél haalt. Dan is het niet meer dan logisch dat we onszelf de beste vinden.

O ja, morgen vertel ik waarom het songfestival eigenlijk zo leuk is. Waarom ik dat vind. Nee, waarom dat zo is.

Foto afkomstig van www.songfestival.web-log.nl

kleine update 2 (door Frank)

De nieuwe foto’s zijn binnen en op veel ervan heb ik een heel dikke grijns op mijn gezicht. Hoera!

Vandaag las ik op de economiepagina van de Pers iets over een ‘megasleephopperzuiger’. Nou weet ik natuurlijk precies wat een megasleephopperzuiger is, maar zou iemand het nog even willen uitleggen voor de kijkers thuis? Wat is een megasleephopperzuiger? Iemand?

Bij het stukje over Praag ben ik vergeten een link neer te zetten naar de website van Efendi. Hier is die link.

09 mei 2007

oude stad (door Frank)

Ik hou van Praag. De eerste keer was ik er veertien dagen en die heb ik vooral zwervend rondgebracht. Iets moois en ouds hangt er. Je kan zien dat de wegen, de gebouwen, de architectuur er al heel lang zijn en ik vind het fijn dat die niet zijn afgebroken en vervangen. Als er te veel staalglazen kantoortempels stonden zou het niet meer mijn Praag zijn. Niet het Praag waar ik naar zoek als ik er ben.

Zoals afgelopen zomer. Ik ging mijn vader de stad laten zien. Hij was er voor het laatst kort na de val van de muur geweest en dat was goed blijven hangen. Hij heeft een goede smaak.
We kwamen er achter dat we allebei op zoek waren naar die oude stad. Niet de commercie en de toeristenindustrie, maar net daarbuiten. Het minimuseumpje met met prachtige koppen op de muren. De eetcafés die doen denken aan fantasyherbergen. Je kunt je er nog steeds zoveel verhalen voorstellen.

Er is dan ook veel gebeurd en dat weten ze mooi te brengen. Tijdens een opstand in de burcht hebben ze er een paar wethouders gezamenlijk uit het raam gekukeld. Die hadden plannen waar men het niet zo mee eens was. Ze zeggen dan niet dat ze mensen uit een hoog raam hebben gegooid, maar noemen dat een ‘defenestratie’. Wauw!

Ook ‘De golem’ van Gustav Meyrink speelt in Praag, een bijzonder schimmig Praag, waar de grote gestalte van de golem soms ineens uit de mist opduikt.

Die mistige, mystieke stad, daar hou ik van. Het is precies het soort stad dat je vindt in het werk van de Letse kunstenaar Efendi. Al is het daar dan meestal Riga.


Ps. Dit is een beetje een ‘hak op de tak’-stukje. Ik denk in plaatjes en bij Praag komen er heel veel plaatjes boven. Die gaan dringen omdat ze allemaal vooraan willen staan.

JA ZEGGEN: KIDS NEWS NETWORK

Wat ik bedoelde met JA zeggen: het Kids News Network bijvoorbeeld!

Onlangs is in Zambia een jeugdjournaal gestart. Met complete ondersteuning van het Kids News Network, van de Nederlandse stichting Free Voice. Deze stichting probeert in verschillende ontwikkelingslanden de persvrijheid te bevorderen.

Grote stimulator is Ole Chavannes. Hij reisde voor het KNN al naar allerlei landen. Met als resultaat dat er in Suriname, in Zuid-Afrika en in Afghanistan nu jeugdjournaals zijn! Het Kids News Network ondersteunt en adviseert.

In Afghanistan - een oorlogsland - is het jeugdjournaal een dappere onderneming. Alleen al het feit dat er vrouwen op de redactie werken is een grote stap voor dat land.

Het mooie is dat de jeugdjournaals niet alleen zeer populair zijn, maar dat de kinderen vaak getoond worden als winnaars - en dat spreekt me zeer aan. Chavannes geeft in een artikel in de Spits een voorbeeld: 'Kijk naar Zuid-Afrika waar veel kinderen met het hiv-virus besmet zijn. Daar zijn dus genoeg zielige en ellendige verhalen te maken. Het jeugdjournaal daar koos er echter voor om een jongetje met hiv te portretteren dat een eigen voetbalclub heeft opgericht waar jongens met en zonder hiv-besmetting in hetzelfde team voetballen.'

Ole (en collega's) werken nu aan jeugdjournaals in Peru en Indonesië. Geweldig geweldig geweldig geweldig. Over ja zeggen gesproken...

Meer info: de Kids News Network site.

BIJ GEBREK AAN plus OWH

Bij gebrek aan eigen grootsche ideeën haak ik maar even in op Franks stukje.
Niet een schaamstapeltje (dat is bij mij minstens 300 boeken hoog), maar wel een planstapeltje:
dit wil ik de komende tijd lezen, ik heb het in huis, shoot me als ik het over een half jaar nog niet gelezen heb!

- Het nieuwe boek van A.F.Th.
- Twee dagboekdelen van Jan Wolkers
- 'Het model' van de Noor Lars Saabye Christensen
- Feuilletons: Extra Edietzie van Jeroen Brouwers
- Willem Jan Otten: Waarom komt u ons hinderen?
- veel kinderboeken waaronder De volle villa
en de nieuwe van Cormac MacCarthy.

Dit is een opscheplijstje, want ik poch er nu toch maar lekker mee. En ook een anti-opscheplijstje, want ze liggen hier dus maar en wanneer moet ik ze lezen?
En dan moet ik ook aan Moby Dick beginnen van Kees. Owh.
En dan heb ik ook nog geen nieuw blogstukje verzonnen. Owh.
En dan is het ook al 1:02. Owh.

08 mei 2007

het schaamtestapeltje (door Frank)

Voer voor de boekendiscussie.

Het stond al maanden op mijn lijstje van ‘dingen die ik moet doen’. Het werd ook steeds harder nodig. Er waren stapels aan het ontstaan, die langzaam maar heel zeker terrein wonnen. Ze kropen steeds hoger over de tafel en mijn bureau. Nog net niet in de keuken, maar op mijn nachtkastje (een houten boekenstapel) was al geen plek meer. En nu, na de hele boekendiscussie van gister en vandaag, ben ik dan toch mijn boekenkast opnieuw gaan inruimen.

Hoe doe je dat in vredesnaam? Wat komt waar? Is Harry Potter fantasy of kinderboek? En moet ik alvast een plekje overlaten voor deel 7? Het duurt nog ruim een maand maar toch.

Blind alfabetisch kan niet. Dat vertik ik. Boeken hebben genres en sommige boeken zijn vriendjes. Die moeten naast elkaar omdat ze anders ongelukkig worden.

Ik hoorde een verhaal van de eigenaar van een tweedehandsboekwinkel. Hij had een opdracht gekregen van een bedrijf om de kasten in een vergaderruimte van boeken te voorzien. Op kleur. Welke boeken het waren, waar ze over gingen, maakte allemaal niet uit. Als er maar een rode en een oranje en een gele plank was. Hij kreeg betaald per meter boeken die hij neerzette.

Op de fotosite Flickr is een verzameling foto’s van boekenkasten waar mensen zelf aantekeningen bij hebben gemaakt. Hoe specifieker de opmerking hoe leuker. Niet alleen hier staat fictie en hier naslagwerken, maar ook titels en voor welke verjaardag iemand het boek gekregen heeft. Dit vond ik een hele leuke foto. Vooral de aantekening “This is the rudest book we own.” En dat je dan niet kan zien welk boek het is.

De indeling van mijn kast is eigenljik nog steeds willekeurig. Grofweg is hij ingedeeld op genre, alles van één schrijver staat bij elkaar en verder is het zo’n beetje gevoelsmatig. Boeken waar ik heel blij mee ben, nederlands canon, kinderboeken, fantasyboeken, poezie, theater. Er zal ook nog wel een plank ‘overig’ komen.
En ondertussen groeit het schaamtestapeltje.

Op het schaamtestapeltje liggen de boeken die ik al een hele tijd in huis heb en nog steeds niet gelezen, ook al weet ik dat ik ervan ga genieten.
De kus van Esau bijvoorbeeld, van Meir Shalev. Die man schrijft prachtig. En Theorema van Pier Palo Pasolini moet ik nog steeds uitlezen. God’s gym van Leon de Winter en Tolstojs De dood van Iwan Iljitsj en die dikke pil van Gabriel Garcia Marquez; Leven om het te vertellen. De stapel groeit nog steeds.

07 mei 2007

Van die hogere dingen (door Frank)

Ik heb één keer jicht gehad. In mijn linker-grote-teengewricht. Dat doet dus pijn. En niet dat je eens rustig bij jezelf nagaat wat voor pijn dan, want je hebt pijn. Met hoofdletters. PIJN.

Goed.
Drie trappen af.
PIJN.
Ziekenhuis.
Bloed prikken.
Pilletjes.
Letten op wat je eet.
Geen alcohol.
Zal je net hebben.
Geen alcohol.
En Lowlands dan?

We schrijven twee weken later. Lowlands. In mijn linker-grote-teengewricht zeurt het al twee dagen. Het zet niet door, het steekt soms even als het denkt dat ik het vergeten ben, verder is het daar gewoon terwijl ik mijn ogen uitkijk omdat ik nog nooit een festival als dit heb meegemaakt. Ik ga naar concerten en voorstellingen, vertel flauwe grappen, zwerf over het kleine, krankzinnige stadje dat de festivalcamping is en drink veel bier, want dat is de plaatselijke drank.
Dat bier is de druppel. PIJN. In mijn linker-grote-teengewricht.

Ik ga in het gras liggen op een hellinkje. Tegenover mij de grootste tent van Europa. Binnen speelt The Velvet Revolver op vol volume. Judith legt haar handen op mijn voet. ‘Reiki.’ zegt ze.

Weg pijn.

Het leek me onzin. Placebo-effect. Als je gelooft dat het er niet is, dan is het er niet. Dat kun je reiki noemen of zelfbedrog.

Weg pijn.

Binnenkort begint Judith een eigen praktijk als healer. Had je me een paar geleden verteld dat ik met zo iemand heel goed bevriend zou zijn... Maar intussen ben ik al proefkonijn geweest. Het lijkt toch echt wel te werken.
Gelukkig is Judith er zelfs net zo nuchter over als mensen die er niet in geloven. Niks geen gezweef.

Mijn vader is ingenieur en in zijn vrije tijd doet hij wetenschappelijk onderzoek naar astrologie. Wat hij over astrologie zegt kan ik zeggen over reiki en trancehealing en van die hogere dingen. ‘Er is teveel om te ontkennen dat er iets is, maar te weinig om te bewijzen dat er iets is.’

VERTRAAGDE AANKOMST

Het stuk dat ik in vervolg op de serieuzere stukken van gisteren en eergisteren wilde schrijven moet even wachten.
Want ik las vandaag een klassieker uit. Namelijk HART DER DUISTERNIS (Heart of darkness) van Joseph Conrad. [Prachtig opnieuw vertaald door Bas Heijne, en van een zeer goed nawoord voorzien, Veen, 1994/2006]
Het is in 1902 geschreven en doet verslag van een wonderlijke ontmoeting van een kapitein met ene 'Kurtz', een bezeten mens. Kurtz woont diep in het oerwoud, besteelt er de plaatselijke bevolking van ivoor en meet zichzelf een soort koningsstatus aan.
Het boek is raar, rijk, vaag, symbolisch, spannend, eng en fenomenaal geschreven.

Maar ik wilde het eigenlijk hebben over de late aankomst van klassieke boeken.
Toen ik op de middelbare school zat las ik achter elkaar EEN NAGELATEN BEKENTENIS van Marcellus Emants, VAN DE KOELE MEREN DES DOODS van Frederik van Eeden en EEN LIEFDE van Lodewijk van Deyssel.
Ik was ondersteboven. Vooral tijdens het lezen van EEN LIEFDE gebeurde er zoveel in mijn hoofd en mijn lichaam dat ik zeker wist dat ik mijn hele leven verslaafd zou willen blijven aan boeken.
Misschien is het dat boek dus dat me het meest van alle boeken ooit geraakt heeft.

De middelbare-schooltijd is de beste aanraaktijd, dat weet iedereen. Maar je kunt niet alles lezen en dus zijn er klassiekers die je mist.
Vandaag, na het lezen van HART DER DUISTERNIS, voelde ik me weer een heel klein beetje zeventien. Dát kunnen vertraagde klassiekers dus met je doen.
Een soortgelijk gevoel had ik met MAX HAVELAAR en MADAME BOVARY. Ook laat gekomen, maar toch gearriveerd, en me gek genoeg teruggebracht naar de beginjaren van het lezen.

Maar welke klassiekers hebben jullie later pas gelezen? Welke klassiekers mepten jullie zachtjes terug tot beginnende smullers?

Kleine update (door Frank)

- ik heb alle vingerafdrukken gecontroleerd maar het is echt waar: Tippa heeft geen 1.

- de grote, stoere beveiligingsmeneer stond vandaag te dweilen in de supermarkt.

- het is weer weer voor hele dikke mosterdsoep met uitjes en gebakken spek!

06 mei 2007

Rugbycultuur (door Frank)

Zondag is wedstrijddag. Opstaan, douchen, eten, tas pakken en op de fiets naar de club. Daar gaan we de auto in en rijden we in kolonne verkeerd en maken er grappen over dat we altijd verkeerd rijden.
Sportief gezien zou het heel goed zijn om dan meteen fanatiek te gaan opwarmen, maar meestal drinken we eerst rustig koffie en bekijken het clubhuis van de tegenstander. Rugbyclubhuizen hangen altijd vol. Reclameborden, lichtbakken, allemaal ‘meegenomen’ van tripjes naar andere landen. En tussen die souvenirs hangen de clubschildjes en stropdassen van clubs waartegen ooit gespeeld is. Ze hebben nogal een hang naar traditie en (club-)geschiedenis, die rugbyers.

Dat merk je al als de wedstrijd begint. De scheidsrechter controleert de stalen noppen van de schoenen op krassen, er wordt getosst en de teams stellen zich op. Voor de aftrap wordt wordt er vast voor elkaar gejuicht. Dat hoort zo. Net zoals een geblesseerde speler, van welk team dan ook, applaus krijgt van beide teams. Een soort van engelse beleefdheid, die nog steeds wordt doorgegeven.
Wie regelmatig voetbal kijkt kan het zich niet voorstellen, maar een rugbyer praat niet tegen de referee. Alleen de captain mag bij beslissingen om uitleg vragen.Voor praten tegen de referee kun je zelfs tien minuten van het veld worden gestuurd.

Na de wedstrijd wordt er een poortje van spelers gemaakt. Het andere team gaat daar onder gejuich doorheen en maakt zelf een poortje. De referee komt er ook doorheen. Het klinkt bijna als een kleuterspelletje, maar zo gaat het en er wordt erg aan gehecht. Het is een manier om elkaar te bedanken voor de wedstrijd en om samen af te sluiten.
Een keer heb ik het anders gezien, na een wedstrijd met een hele slechte referee. Toen hij door het poortje liep bleef het doodstil. Als buitenstaander weet je niet beter, maar een rugbyer herkent dat als een flinke belediging. Juist die beleefdheidsvorm geeft je als team dan gelegenheid om onbeleefd te zijn.

Onder al die kleine tradities ligt een grote ongeschreven regel. Op het veld speel je eerlijk, maar als het even kan keihard. Het is een no-nonsense sport. Je gaat door tot er gefloten wordt en wat de referee niet ziet, is toegestaan. Wil je narigheid uithalen, dat kan, maar je krijgt het terug. En tenzij het heel gemeen wordt, blijft het ook tussen die twee spelers. Bij teams die in lage klasses spelen, maar ook wel op internationaal niveau, kan er dan wel eens een opstootje ontstaan, maar volgens mij blijft het echte ‘amateursportgeweld’ binnen de perken, omdat het al in de ongeschreven regels is opgenomen.
En als de wedstrijd is afgelopen is dat allemaal voorbij. De teams bieden elkaar een kan bier aan en er wordt nagepraat over de wedstrijd. De derde helft is dan begonnen en wat op het veld is gebeurd blijft op het veld.

Die regels gelden overal waar het spel gespeeld wordt. Je ziet het op de BBC als ze de Six Nations uitzenden. Maar ik heb ooit in nationale jeugdteams gespeeld en toen de Denen, de Belgen en de Duitsers op bezoek kwamen hielden die zich er ook allemaal aan. Goede rugbyers zijn als traditionele, geniepige parttime-hufters met een groot gevoel voor rechtvaardigheid. En het maakt kennelijk niet uit waar ze vandaan komen.

Een van de mooiste tradities is de haka. Voor de All Blacks, het nationale team van Nieuw-Zeeland een wedstrijd beginnen, doen ze een traditionele Maori-dans. Daar zijn ze ergens in de jaren ’50 mee begonnen en ze doen het nog steeds. De haka is bedoeld om de spelers op te laden voor de wedstrijd en om een uitdaging voor de tegenstander neer te leggen. Kijk hier maar of het ze lukt.

DE ANALOGIE

Gisteren schreef ik over pesten en over pestbeleid. Ik schreef ook dat ik van vergelijkingen en analogieën hield.
Misschien is het enigszins beperkt, en het is zéker nogal versimpelend, maar ik wil 'een land' hier tot op zekere hoogte vergelijken met een school of een klas.

Beide zijn samenlevingen van verschillende mensen, verschillende achtergronden, verschillende culturen.
Zoals ik van een leerkracht idealisme én pragmatisme wil zien, zou ik dat vanuit politici ook willen ervaren.

In een interview met Trouw, een week terug, zei minister Rouvoet:
'We stellen vast dat de samenleving tegen de grenzen van het libertaire denken is aangelopen. (...) Er is een breed gedragen overtuiging dat moraal niet louter een zaak moet zijn van het individu. Sommigen noemen dat 'betutteling', maar de samenleving voelt haarscherp aan dat we hier een punt te pakken hebben. Concreet betekent dit dat de overheid mag ingrijpen als de individuele vrijheid schadelijk is voor de samenleving of een kind.'

Ik kan het daar grotendeels mee eens zijn, ook al ben ik geen CDA- of CU-aanhanger.
Ik vind dat een land, ons land, een leiderschap behoeft dat gestoeld is op een brede utopie waarin vrijheid voor iedereen het hoogste, het meest utopische is. Maar tegelijk vind ik dat dat leiderschap wel moet uitstralen dat vrijheid DUS verantwoordelijkheid is.
En dus vind ik dat ministers moeten werken aan gelijke rechten voor iedereen, maar tegelijkertijd dat zij moeten opstaan als er mensen, groepen, kinderen in het gedrang komen en als de moraal vervaagt tot kan-ons-het-schelen.

De analogie zit hem in de plicht voor bewindslieden om, net als de leerkracht voor de klas, hun leerlingen (de diverse groepen in de samenleving) te leren kennen. Hun achtergrond te weten. Verstand hebben van groepsprocessen: wat doet het met een land als er grote groepen Poolse arbeiders binnenkomen? Hoe voelen VMBO-kinderen zich (ik wou dat hier meer aandacht voor was)? Etc.
Ik begrijp niet dat sommige politici ervanuitgaan dat Nederland hetzelfde land is als in de jaren vijftig. Hallo, we zijn OVERgegaan! We zitten tegenwoordig in combinatieklassen - meesters en juffen van sommige partijen: wákker worden!!!

Als de politiek weet wanneer er iets fout kan gaan, als het wéét waar de sociaal onveilige bewegingen plaatsvinden, dan kan er hopelijk veel voorkomen worden.

En verder geloof ik dat de politiek OOK pragmatisch moet zijn, en duidelijk moet maken wat er niet getolereerd kan worden, en waarom. Met heldere straffen, met inschakelen van ouders (dit bedoel ik overdrachtelijk, het gaat om het duidelijk maken van het hoe en waarom van je straffen), EN met zicht op een schone lei.

Ja, eerst en vooral (en ik kan het nu eenmaal niet helpen dat ik vooral vanuit deze analogie blijf denken) zou ik willen dat onze bewindslieden de bevlogen en warmhartige leerkrachten zijn die laten zien dat ze elk van ons kennen, of bereid zijn te willen leren kennen, dat ze de breedst mogelijke vrijheid daarbij nastreven, maar dat ze wel de 'roedelleider' durven zijn, dat ze zich niet opstellen als onze vriendjes en vriendinnetjes, maar tegelijk uitstralen dat ze nergens liever zouden willen zijn dan bij ons voor de klas.

En dat ze ons dag aan dag laten zien dat het evenzeer ónze verantwoordelijkheid is om de sfeer in de klas utopisch te houden.

05 mei 2007

PESTEN

Gisteren al getypt, maar bij bevestiging de hele tekst kwijtgeraakt. Tja, wat wil je ook met zo'n titel. Hier een nieuwe poging.

Ik hou van vergelijkingen en analogieën, en daarom wilde ik al een tijdje iets schrijven over pestbeleid. In een vorig leven was ik leerkracht en directielid van een basisschool, en uit die tijd stamt de navolgende overtuiging.

Een klas is een samenleving. Verschillende mensen zijn om louter cijfermatige, toevallige redenen bij elkaar gezet, en dat levert vrolijkheid en gezelligheid op, maar ook, als er niets aan gedaan wordt, criminaliteit. En die sociale criminaliteit noemen we pesten. Voor slachtoffers en daders even erg als terreur in de 'volwassen' samenleving: pesten van het ergste soort veroorzaakt onherstelbare schade, en je kunt er als kind niet eens mee naar de politie gaan.

Oplossingen zijn meestal niet van de andere kinderen te verwachten. Natuurlijk, soms is een groep of een wonder van een individueel kind in staat om pesten tegen te gaan, maar dat is eerder uitzondering dan regel. En dus komt het op de kwaliteit van de leerkracht neer.

Een school moet nadenken over de bestrijding van pesten. In het kader daarvan heb ik altijd geloofd dat dat beleid voor 80% gezocht moest worden in het voorkomen en 20% in het bestraffen van pesten.

Voorkomen begint bij kennen. Een school of een leerkracht moet weten wie zijn kinderen zijn. Met ze praten (eerlijk waar, gebeurt vaak niet), ook op niet-lesgebonden momenten. Niet altijd binnen gaan zitten als de kinderen buitenspelen, je oor te luisteren leggen als ze in de rij staan, als ze in de bus naar zwemmen zitten, etc. De ouders leren kennen, de achterliggende cultuur - en daarbij ook jezelf, je eigen persoonlijkheid inzetten. De ideale leerkrachten zijn zowel betrokken alsook duidelijk 'de roedelleider', nét een beetje ongrijpbaar dus. Maar wel écht vrolijk als hij of zij vrolijk is, écht boos als hij of zij boos is - hoe gecontroleerd ook. De meester of juf houdt van kinderen, maar is niet je vriend(innet)je. Maar hij of zij zou zich geen leukere plek kunnen voorstellen dan bij jullie in de klas, met jullie allemaal (állemáál) voor zich.

Voorkomen heeft verder met 'verstand hebben van mogelijke pestsituaties' te maken, en die dus niet laten ontstaan. Géén 'ga maar zitten naast degene die je leuk vindt'-gedoe aan het begin van het jaar, géén groepjes kiezen bij gym.

Natuurlijk gaat er uiteindelijk toch wel eens iets mis. Vaak aan het begin van het jaar als de sociale verhoudingen nog onduidelijk zijn. Van belang is dan: extra pest-bewaking, en àls er iets mis gaat: in een vroeg stadium bestraffen. Misschien wel overdreven bestraffen. De boel groot maken, helder stellen; uitleggen waarom je iets niet toestaat, de ouders erbij halen, aangeven dat er zowel straf zal zijn als de mogelijkheid om ná de straf met een schone lei te beginnen.
Door alert en streng te reageren op pestvoorvallen straal je op een natuurlijke manier uit: 'Dit doen we hier zo niet. Zo'n samenleving willen we niet zijn.'
Moreel leiderschap.

Ik weet het, dit is een serieus en iets te vak-gek stukje geworden, jullie horen de voormalige meester praten, ik weet het, ik weet het. Maar ik hou van vergelijkingen en analogieën en ik was tenslotte, een paar weken geleden alweer, met een stamelend stukje over 'ja zeggen' begonnen. Dit is de voorzichtige aanloop naar een voorzichtig vervolg. Morgen verder.

04 mei 2007

Nachttrein (door Frank)

Soms wil ik op reis en kan dat niet.


Het is vroeg en wolkenloos. Langs het raam schuiven gepleisterde flatgebouwen. Soms kijk ik lange straten in. Er hangt nog dat waas van ochtendmist. Over een slapende Franse voorstad, ergens op de meest directe lijn naar je toe.

Het enige geluid in de coupé is zachte slaapadem. De wielen op de rails hoor ik allang niet meer. De mensen hier zijn in ongemakkelijke houdingen in slaap gevallen. Over een paar uur zullen ze zich stijf uitrekken, morrend over hun nekken, hun ruggen, hun spieren, maar ze klagen niet lang. Ze weten dat het erbij hoort, het zal een mooie dag zijn en zonder iets te doen zijn ze duizend kilometer verder gekomen.
Ik heb niet geslapen. Ik kon het niet. Naast het raam heb ik het donker zien worden, mijn spiegelbeeld ontstond steeds scherper omlijnd in de ruit. Toen de laatste leeslichtjes werden uitgeknipt keek ik naar verlichte ramen in de verte en de silhouetten van bomen. We kwamen door steden waar kroegen open waren en mensen door de straten liepen. Ze hadden er geen idee van dat ik hier zit en naar je op weg ben. Voor hen is het een gewone dag. Ze hadden hard gewerkt en gingen een biertje pakken.
Ik stelde me voor hoe het moest zijn om daar te leven.

Later lag ik met mijn hoofd tegen de wand. Ik had mijn ogen dicht en hield me voor dat ik vanzelf in slaap zou vallen als ik ze maar dichthield. Dat zou de natuurlijke reactie van mijn lichaam zijn op het donker, zoals papegaaien gaan slapen als je een doek over de kooi legt. Mijn hoofd trilde van de beweging van de trein en als ik mijn kaken niet stevig op elkaar hield liet dat me klappertanden. Ik wist zeker dat we nooit aan zouden komen. De anderen zouden blijven slapen en het zou donkere nacht blijven, zonder maan of sterren. Dit was geen trein, dit was een stil moment, voor eeuwig uitgerekt over de tijd en ik zat erin vast.
De anderen sliepen. Ze merkten er niks van. Voor hen liep de tijd zoals hij hoorde te lopen. Ze zouden wakker worden en doorleven. Misschien nog even hun schouders ophalen als ze me zagen liggen met mijn ogen dicht en grappen maken dat ik mijn station zou missen als ik niet wakker werd. Bij stations stappen ze uit en ik zou doorreizen en ergens op een rangeerterrein achtergelaten worden.

Natuurlijk heb ik wel iets geslapen. Niet lang en niet diep, maar de trein stond ineens met een schokje stil en ik schoot wakker. Nachtelijke stop bij een klein stationnetje. De conducteurs stapten uit. Ze rookten sigaretten en dronken halve liters bier op het perron. Soms lachten ze hard. Ik kon hun rook ruiken in de dunne nachtlucht.
Een typisch forenzenstation was het. In de vroege ochtend zou het hier vol staan met blauwgrijszwarte pakken, hoge hakken en tassen vol papieren. Het zou er naar kranteninkt, aftershave en koffie ruiken. En aan het eind van de dag diezelfde mensen, als ze naar huis gaan, naar de appartementencomplexen rond het station. Ik kon de felle verlichting zien bij de ingangen en de buitenlampen op de balkons.
Ik liep heen en weer op het perron, blies wolkjes in de koude lucht en bekeek reclameborden die ik niet kon lezen. Heel in de verte was de lucht al licht.

Zojuist kwam de zon op achter een bos. De bomen kregen een gloed en lange schaduwen. Als ik mijn ogen dichtkneep zag ik de silhouetten. Denk je eens in hoe stil het er is als de trein voorbij is. De stilte waarin er nog niks is, maar alles schuifelt al een beetje, vlak voor het begin. Hooguit een paar vogels in een boom die je hoort.

Nu rijden we door een stad die nog slaapt. Mensen staan niet met de zon op, alle gordijnen zijn nog dicht. Er is nauwelijks verkeer. Dit is nog niet jouw stad.
Lig je nu in bed de minuten mee te tellen met de rode streepjes op de wekker, omdat je weet dat het onzin is om eerder op te staan? Dat de trein daar niet eerder door zal aankomen? Nog even. Straks verbaas jeje weer over hoe weinig bagage ik bij me heb en praat je me in twee talen de oren van het hoofd zodat ik mijn handen langs je wangen leg en je kus. Reizigers om ons heen zullen glimlachen en vandaag iets blijer op hun werk aankomen.

EN ZE SCOORDEN EN SCOORDEN

Oud nieuws, namelijk uit november 2002 - maar wel opmerkelijk nieuws:
Het wereldrecord scoren in één wedstrijd is verbroken. Met - eerlijk waar -
149-0.

Het oude wereldrecord stond op naam van Arbroath dat in 1885 36-0 scoorde tegen
Bon Accord.
Hoe ontstond deze nieuwe grote nederlaag dan?
Door de tegenstanders. Het waren namelijk 149 eigen doelpunten.

Het geheel speelde zich af op Madagascar. AS Adema speelde tegen Stade Olympique L'Emyrne uit Antananarivo, maar er ontstond onenigheid tussen de coach van SOE en de scheidsrechter. Het team van SOE koos massaal de kant van hun coach en begon bij wijze van protest in eigen doel te scoren. AS Adema kwam er niet meer aan te pas en de fanatiekelingen van SOE gingen maar door. Totdat het 149-0 was.

Dit doet vermoeden dat de SOE een stelletje gekke amateurs zijn. Niet waar. Ze waren al verschillende keren kampioen van Madagascar en kwamen in de Afrikaanse Champions League al een paar keer een paar rondes door. Mét doelpunten in andermans doel...

03 mei 2007

Foto's (door Frank)

Er zijn laatst foto’s van mij gemaakt door een heel echte fotograaf. Een amateurfotograaf die al twintig jaar met dezelfde techniek bezig is en het nu heel goed kan. Hij heet John.
John is een perfectionist. Hij werkt met clair-obscur (net als Rembrandt). Weinig licht, van opzij, veel contrast, zodat je mooie patronen van schaduwen over je gezicht krijgt. Maar je moet wel stilstaan, want het licht moet natuurlijk precies goed vallen. Daar ging het mis.

Mij moet je pakken als ik weer eens een enorm verhaal aan het houden ben, wild met mijn armen zwaai en gezichten trek. En dat betekent dat je niet precies een spanningsdriehoekje onder mijn oog kunt laten vallen.

Er zijn wel mooie foto’s uitgekomen, hoor. Maar veel zijn erg geposeerd en veel zwaarwichtiger dan ik mezelf ken. Vanavond ga ik weer naar hem toe. Gewapend met mooie muziek en mijn nieuwe korte haar. Dan gaan we kijken of we mij nog meer kunnen vangen.
Waarschijnlijk neem ik Kommil Foo mee. Mooie cabaretliedjes, meestal over de liefde, waardoor je vanzelf gaat geloven dat er ook wel iets heel moois zit aan een beetje liefdesongeluk.
En Donkey Diesel gaat mee. Ook Vlamingen en een heerlijke mengelmoes van allerlei stijlen door elkaar. Een vuige, smerige, fijne band die je volgens mij het best live ziet.
Ik ben geen Alexander en ook geen Hester Carvalho, maar een paar liedjes luisteren kan heel makkelijk op de sites. En het zijn echte aanraders.
www.kommilfoo.be (luister: ‘ik red me wel’ en ‘Madrid’)
www.donkeydiesel.be (luister: ‘Sylvie #1’)

Foto: John Schenk

Uit de vorige fotosessie is een combinatie van twee foto’s gekomen waar ik erg blij mee ben. Op allebei sta ik in zo goed als dezelfde houding. Op de ene met een opschrijfboekje, op de andere met een rugbybal. Vooral die laatste foto is net een Adidasreclame.


Ps. Het klad voor dit stukje is getypt op Tippa. Al mijn huisgenoten kwamen buurten omdat het zo geweldig klonk.